(advertentie)
(advertentie)
Kansen voor Afrika als nieuwe mondiale kledingfabriek

Het is de vraag hoe lang China de grootste kledingfabrikant ter wereld blijft. Niet alleen heeft het land concurrentie te dulden van Bangladesh, India en Vietnam. Ook de aantrekkingskracht van landen in Afrika groeit. Dat geldt vooral voor grote Amerikaanse kledingbedrijven zoals

VF Corp. en PVH Corp. en is mede te danken aan de African Growth and Opportunity Act (AGOA) waardoor voor kledingstukken geproduceerd in meer dan 45 Afrikaanse landen in Amerika geen invoerrechten hoeven te worden betaald. Deze producten zijn bovendien niet aan textielquota onderhevig zelfs als de grondstof (katoen) van elders afkomstig is, zoals bij kleding geproduceerd in China wel het geval is. Dat meldt Apparel News.

Kansen voor Afrika als nieuwe mondiale kledingfabriek"Afrika is er klaar voor en staat te trappelen," zegt directeur supply-chain Bill McRaith van PVH Corp., moederbedrijf van labels als Tommy Hilfiger en Calvin Klein. Het bedrijf heeft zich voor twintig jaar aan de regio gecommiteerd. Volgens McRaith zijn de productiekosten in Afrika laag, net als in Azië, maar ligt ook het tempo lager. PVH produceert nu al kleding in Lesotho en Kenia. Volgende stap is een meer vertikaal model waarbij het bedrijf ook Afrikaanse katoen gaat gebruiken.

Kledingproductie in China steeds duurder

Het produceren van kleding en textiel in China is de afgelopen jaren duurder geworden, doordat de prijzen en arbeidslonen in het land omhoog zijn gegaan. Nog steeds is 41 procent van alle geïmporteerde kleding in de Verenigde Staten afkomstig uit China. Voor kleding uit China gelden echter importquota en invoerbelastingen die de producten eenmaal in de VS duurder maken en de marges aantasten.

Volgens McRaith zijn niet alleen Amerikaanse bedrijven in Afrika geïnteresseerd. Ook Europese budgetretailers hebben het continent ontdekt. "Bedrijven als H&M, Tesco en Primark produceren in Ethiopië omdat het maandsalaris van een textielarbeider daar ongeveer 100 dollar bedraagt." Daarnaast wordt in Ethiopië energie opgewekt middels geothermische en hydro-elektrische bronnen waardoor de kosten voor elektriciteit ongeveer een-vijfde zijn van die in China.

Behalve Ethiopië wordt ook Madagascar vaak genoemd als aantrekkelijk land voor kledingproductie. Alsmede Benin, Lesotho, Roewanda, Senegal en Tanzania. Nadeel is dat er lokaal weinig toezicht is op de arbeidsomstandigheden van de fabrieksarbeiders. Hoewel ook in deze regio minimumlonen gelden, is een organisatie als Fair Wear Foundation hier (nog) niet actief. Max Havelaar meldt dat voor kledingfabrieken in West-Afrika geen eisen voor arbeidsomstandigheden zijn geformuleerd. Voor de productie van katoen in die regio is dat voor katoenboeren met Max Havelaar-keurmerk wél geregeld.

Hoewel aandacht voor mens- en milieuvriendelijke productie hier nog in de kinderschoenen staat, betekent dat niet dat er helemaal niets aan fair trade wordt gedaan. Liberty and Justice is een voorbeeld van een textielfabrikant waar alles wel goed geregeld is. Het bedrijf met fabrieken in Ghana en in Liberië - een land dat dezer dagen voornamelijk in het nieuws is vanwege de ebola-uitbraak - is de eerste fair trade gecertificeerde kledingfabrikant van Afrika en heeft vijf sterren van GIIRS, een internationale standaard voor duurzaam investeren. Liberty and Justice neemt voornamelijk vrouwen in dienst, die moeilijk aan werk kunnen komen en zegt 20 procent meer loon te betalen dan andere kledingfabrieken in de omgeving doen. Het bedrijf heeft een netwerk opgezet onder de noemer 'Made in Afrika' met fabrieken in verschillende Afrikaanse landen die dezelfde standaarden hanteren.