(advertentie)
(advertentie)
Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het Huis met de Groene Lantaarn: de naam zal bij de jonge generatie niet direct en belletje doen rinkelen. Toch was dit ooit het grootste import- en agenturenmodebedrijf van Nederland. ‘Het Huis’ vertegenwoordigde commerciële Duitse topmerken waaronder Bleyle, dertig jaar geleden een wereldfirma gespecialiseerd in tricot. Auteur Jos Weijens werkte bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn en schreef een boek over de opkomst en ondergang van het mode-imperium. De schrijver heeft een vlotte pen: hij voert zijn lezers mee naar een andere tijd, al is de tone-of-voice niet nostalgisch. FashionUnited belde de auteur op voor een gesprek.

U bent een laatbloeier. Op 75-jarige leeftijd ontdekte u de liefde voor het schrijven.

“Dat klopt. Ik ben een watersporter, schrijven doe ik dan ook vooral in de wintermaanden. Hiervoor heb ik twee boeken uitgebracht en ik had ontzettend veel zin om weer een boek te schrijven. Aangezien ik bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn heb gewerkt, kon ik putten uit een schat aan verhalen en herinneringen.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Heeft u veel vooronderzoek verricht?

“Zelf ben ik in 1969 bij Het Huis komen werken, het bedrijf werd opgericht in 1949. De ontstaansgeschiedenis ken ik dus alleen van horen zeggen. Daarom sprak ik veelvuldig met oud-collega’s en mijn secretaresse, die de laatste acht jaar mijn steun en toeverlaat was. Zij brachten me weer in contact met medewerkers die er daarvóór hadden gewerkt. Een aantal van hen is inmiddels de tachtig gepasseerd en moest in hun geheugen graven. Grappig genoeg kwamen de herinneringen vrij snel weer boven: na een paar dagen belden ze me terug met hele verhalen. De gebeurtenissen zijn grotendeels authentiek, aangevuld met mijn eigen voorstellingsvermogen.”

Kort na de Tweede Wereldoorlog had Hans Poelmann (1921-1992) het lef had om nota bene Duitse modeartikelen te verkopen. Het sentiment voor producten uit het land van de voormalige bezetter was in die tijd uiterst negatief. Hoe reageerde het Nederlandse modepubliek?

“In het begin niet erg positief. Maar de omstandigheid dat er weinig goederen te koop waren, hielp een handje. Hoewel wij het thuis bepaald niet slecht hadden, droeg ik schoenen van mijn zus. Niet omdat mijn ouders geen geld hadden voor een nieuw paar, maar omdat er geen kwalitatief goede schoenen in de winkels lagen. In 1949 waren er bijna geen merkartikelen te koop. Wel lokaal geproduceerde kleding, gemaakt van stoffen die eerst een andere bestemming hadden. Het Duitse Bleyle was een groot bedrijf met de knowhow en financiële middelen om flink uit te pakken. Op het gebied van kwaliteit dan, het woord mode kwam nog niet in hun woordenboek voor. De mensen voor wie Bleyle een begrip was, waren bereid een flinke duit voor de kleding te betalen. Maar er waren ook mensen die beslist geen Duitse mode wilden dragen. Wie een ‘Duitse Volkswagen’ reed werd met de nek aangekeken. Mijn vaders Ford Prefect viel van ellende bijna uit elkaar, maar een Volkswagen aanschaffen? Dan ging hij nog liever met de fiets.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat kunnen we leren van Poelmann over ondernemerschap in de mode?

“Dat je als leverancier niet te ‘hongerig’ moet zijn, maar kieskeurig aan wie je wel en niet levert. Dat is iets wat meneer Poelmann vanaf het begin heel goed heeft aangepakt. Hij was kritisch, zelfs lastig naar klanten toe. In ruil voor exclusiviteit in een bepaalde stad of provincie werden zij geacht flinke orders te schrijven. Het Huis met de Groene Lantaarn was één van de eerste modebedrijven dat een computer installeerde. Dat gaf een hoop problemen, klanten vonden het werken met girobetaalkaarten maar een gedoe. Maar Poelmann had overal een oplossing voor en was zijn tijd altijd net vooruit. Verstand van mode had hij echter niet, dat moet ik er wel bij zeggen. Daar had hij zijn personeel voor.”

Het eerste deel is geschreven vanuit het gezichtspunt van meneer Poelmann. Vanaf het tweede deel wordt het verhaal verder vertelt door uw ogen. Maakte dit het schrijven makkelijker?

“Ja, hier kon ik vanuit mijn gevoel schrijven, over mijn eigen stommiteiten en capaciteiten. Het tweede deel is daarmee ook persoonlijker. Het begint met de slepende sollicitatieprocedure die vooraf ging aan mijn twintigjarig dienstverband. Ik heb drie keer gesolliciteerd voordat ik werd aangenomen. Sindsdien heb ik veel kansen gekregen en benut. Ik ben binnengekomen als leerling-verkoper en weggegaan als verkoopleider. Er was ook ruimte om te groeien: een vertegenwoordiger boven mij doorliep dezelfde stappen. Telkens als hij promoveerde naar een groter rayon, kreeg ik zijn functie. Een beetje voorspelbaar, al ging het uiteraard niet vanzelf. Toen ik daarna voor mezelf begon, had ik veel profijt van alles wat ik had geleerd en heb een redelijk succesvol eigen bedrijf gerund dat ik op mijn 61e heb verkocht.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat voor werkgever was meneer Poelmann?

“Een uitstekende. Hij zorgde goed voor zijn medewerkers omdat ze hard voor hem werkten. Als broekie van achtentwintig reed ik in een Mercedes, dat was in 1969 iets bijzonders. Maar, er werd wel wat geëist. Iedereen moest naar zijn pijpen dansen en de bedrijfscultuur was nogal hiërarchisch. Persoonlijk had ik daar geen moeite mee, maar er waren collega’s die na twee jaar opgebrand het pand verlieten. Bij klanten had meneer Poelmann niet de allerbeste naam. Tact kwam in zijn woordenboek niet voor. Hij beweerde soms de gekste dingen, maar dat werd geaccepteerd. Hij voerde precies de merken die je moest hebben, wilde je meetellen in de modewereld. Het bedrijf verdiende er goed aan. Er werd voor tonnen per jaar geadverteerd. Uiteraard middels zijn eigen reclamebureau.”

Een markante gebeurtenis in het boek is de verhuizing van de chique Herengracht naar het Confectie Centrum, nu het World Fashion Centre. Wat voor impact had dat?

“Rond 1977 was het tijdperk van confectie aan de gracht over. Wij waren als enige overgebleven en werkten nu ook met tussencollecties. Het werd steeds moeilijker om klanten later in het seizoen nogmaals zover te krijgen om naar de grachtengordel te komen. Toen heeft mijn baas de hele eerste verdieping van de derde toren in het confectiecentrum afgehuurd. De verhuizing was een aderlating, want er waren tonnen gestoken in het verbouwen van de panden aan de Herengracht 106, 108 en 110. Gewend aan de allure van de grachten vonden wij het confectiecentrum minnetjes, maar het was wel veel makkelijker voor klanten met zoveel bedrijven onder één dak.”

Vergeleken met de snelheid van de mode-industrie nu, was de confectie-industrie veertig jaar geleden een andere wereld.

“Onze dochter is mode-inkoopster bij een van de grootste moderetailers van het land en als ik haar verhalen hoor is er veel veranderd. Merken komen tegenwoordig elke zes weken met een nieuw programma, een tempo om nerveus van te worden. Hoe anders was dat in mijn tijd. Twee keer per jaar kwam er een collectie uit die klanten in de showroom inkochten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en dat ging een paar maanden zo door. Daarna was het seizoen afgelopen. Onze doelgroep bestond uit prachtige bedrijven zoals Maison de Bonneterie, Schunk en Stoutenbeek, om er maar enkele te noemen, die hebben het om wat voor reden dan ook niet kunnen bolwerken.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het boek schetst een realistisch beeld van de harde maar ontzettend leuke modewereld. Zo ook van uw voormalige werkgever. Was u niet bang voor de reacties?

“Toen het boek af was dacht ik: zouden de nakomelingen van meneer Poelmann het wel kunnen waarderen? Maar mijn redacteur verzekerde mij ervan dat je na het lezen van het boek alleen maar respect krijgt voor die man. Toen ik het opnieuw las dacht ik: ja, hij heeft gelijk. Het was niet mijn intentie om een standbeeld voor hem op te richten, dat gebeurde onbewust.”

En hoe reageerden oud-collega’s?

“Aanvankelijk waren ze wat huiverig om mee te werken, maar ze vinden het fantastisch om te lezen. Omdat het bedrijf al lang niet meer bestaat, was er veel weggezakt. Door dit boek komt het allemaal weer boven. Onze baas was zelden tevreden, maar op de één of andere manier schiep dat een band onder zijn werknemers. We hebben ontzettend hard gewerkt maar ook verschrikkelijk gelachen. Een gewoonte in die tijd was dat alle sollicitatiebrieven naar een zekere professor Margadant uit Den Haag gingen, een autoriteit op het gebied van psychologisch onderzoek naar handschriften. Als gevolg daarvan hadden we allemaal hetzelfde sausje over ons karakter. Wanneer ik oud-collega’s aan de telefoon spreek die ik die ik twintig jaar niet heb gezien, voelt het al na drie minuten weer als vanouds.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het Huis met de Groene Lantaarn verwijst naar de reusachtige, groen beglaasde lantaarn aan de gevel van het pand aan de Herengracht 108, die er nog steeds hangt.

“Of beter gezegd: opnieuw. Drie jaar nadat ik in 1988 voor mezelf begon, ging het bedrijf helaas ter ziele. De groene lantaarn werd van de gevel van het WFC geschroefd en de laatste directeur nam hem mee naar huis, legde hem in zijn garage. Jaren later belde zijn weduwe me op: of ik interesse had in de lantaarn. De bijna tachtig kilo wegende kolos paste niet in mijn cabriolet. Dus ben ik met open dak van Amsterdam naar Baarn gereden. Ik heb de lantaarn opgeknapt en hem bij de vijver gehangen. Oud-collega’s die op bezoek kwamen waren met stomheid geslagen: dé lantaarn, bij mij in de achtertuin! Na een jaar of vijftien begon het icoon heftig te roesten, maar opnieuw opknappen was een kostbare affaire. Toevallig voer ik kort daarna met mijn sloep langs onze oude grachtenpanden. Aan de gevel, waarachter tegenwoordig veertien appartementen schuilgaan, hing een naargeestig, droevig klein lantaarntje. De verenging van eigenaren bleek Het Huis met de Groen Lantaarn te heten. Daarop heb ik een brief met een foto gestuurd, waarin ik de lantaarn voor niets aanbood onder de voorwaarde dat de vereniging hem zou opknappen en in ere herstellen. En zo geschiedde. Later werden mijn vrouw en ik uitgenodigd voor een bewonersreceptie ter gelegenheid van de feestelijke terugplaatsing. Daar liet ik vallen ooit een boek te willen schrijven over het bedrijf. Deze belofte heb ik waargemaakt. En de groene lantaarn? Die hangt weer in volle glorie te glimmen aan de gevel.”

‘Het Huis met de Groene Lantaarn – Opkomst en ondergang van een mode-imperium’, Jos Weijens, Brave New Books, via www.bol.com, €20,89 (franco huis) of bij de boekhandel onder ISBN: 9789402161717

Afbeeldingen: 1. Boekcover; 2 Advertentie Bleyle’s Knaben Anzüge; 3. Auteur Jos Weijens; ; 4 Herengracht 106-108-110 in 1969; 5 Pentekening W.G. Hofker.