De mode-industrie heeft kritische digitale denkers én makers nodig, de nieuwe mastertrack Digital Fashion Technology leidt ze op
bezig met laden...
De Hogeschool van Amsterdam rondde afgelopen academisch jaar de eerste editie af van een nieuwe masterleerroute: Digital Fashion Technology, waarvan deze maand de tweede lichting studenten is gestart. De leerroute is ontwikkeld samen met AMFI en het bijbehorende lectoraat Fashion Research & Technology en valt onder de bredere Master Digital Design. De eenjarige master leidt designprofessionals op om kritisch te kijken naar de mode industrie en de impact van digitale middelen hierop. FashionUnited sprak met docent Lisette Vonk en studenten Siena van der Laarse en Verona Kragten over het eerste jaar van de opleiding.
Een nieuwe leerroute binnen Digital Design
De Master Digital Design bestaat uit twee leerroutes. Interaction Design, gericht op hoe interactieontwerp problemen kan oplossen in bijvoorbeeld de gezondheidssector, bestaat al acht jaar. Digital Fashion Technology, opgezet samen met AMFI, ging afgelopen academisch jaar voor het eerst van start.
"De leerroute is opgezet om designprofessionals op te leiden die kritisch kunnen kijken naar de impact die digitale middelen kunnen hebben op de mode-industrie," aldus Vonk. Studenten hoeven geen achtergrond in fashion design te hebben: de master trekt studenten aan vanuit fashion design, branding en management, maar ook vanuit architectuur en ICT. "We hebben mensen nodig die goed kunnen framen, designen, maken en analyseren om digitalisering goed in te zetten en kritisch te kunnen beoordelen," zei ze.
Een intensief programma van één jaar
De master duurt één jaar en begint met The Foundation, een periode van vijf weken waarin studenten design- en onderzoeksmethodologieën, digitale maakvaardigheden en ethisch reflecteren leren, naast lessen over de geschiedenis van mode en de fashion value chain. Daarna volgen twee grote projecten.
In het eerste half jaar werken studenten aan de Industry Projects, waarin ze in interdisciplinaire groepen aan een opdracht van een industriepartner werken. Zo onderzocht een groep vorig jaar een betaalbare manier om fysieke gebreide stoffen te vertalen naar een digital twin, terwijl een andere groep keek naar de inzet van digital product passports. Elk project levert een werkend prototype op, plus een onderzoekspaper waarin het proces en de bevindingen worden gepresenteerd.
In de tweede helft van het jaar bepalen studenten hun eigen onderzoeksvraag voor het capstone-project, vaak op basis van lopend onderzoek binnen de onderzoeksgroep, een vraag uit de industrie, of een eigen idee. "We dagen studenten uit om niet te onderzoeken wat er al onderzocht is, maar kritisch te kijken naar waar de industrie behoefte aan heeft en welke kennis nog ontbreekt," aldus Vonk.
Binnen drie overkoepelende thema's, Digital Only Fashion, Hybrid Fashion en Consumer & Business Innovation, bouwt elke student aan een eigen portfolio, in plaats van één vast traject te volgen.
Van het balletpodium naar een breilab
Voor haar industrieproject werkte Siena van der Laarse samen met vijf medestudenten uit verschillende disciplines aan een opdracht voor Nationale Opera & Ballet, waarbij ze drie kostuums uit een eerdere voorstelling digitaal recreëerden. Het team gebruikte CLO3D voor patroonontwikkeling, Substance Painter voor materialen en texturen, en Blender om de digitale omgeving te bouwen. "Het grootste inzicht voor mij was leren werken in een multidisciplinair team aan een grootschalig industrieproject," aldus Van der Laarse.
Ze zette de samenwerking voort in haar capstone-project, waarin ze onderzocht hoe 3D-printen toegepast kan worden op historisch kostuumontwerp. Ze experimenteerde met het printen van een historische kraag en het digitaal recreëren van een korset met PHA, een duurzamer materiaal, om te testen wat de mogelijkheden zijn voor draagbare kostuums. "Dit proces hielp me om onderbouwde designkeuzes te maken en bepaalde het eindresultaat van mijn onderzoek," zei ze. Van der Laarse werkt inmiddels als digital designer bij Studio Anneloes.
Verona Kragten begon aan de master met een bachelor in software development, zonder modeachtergrond. Voor haar industrieproject werkte ze samen met drie medestudenten aan een opdracht van Knitwear Lab, een bedrijf dat digitale modevisualisatie inzet voor onder andere klantcommunicatie. De opdracht: vind een manier om de hoogte in bepaalde breipatronen te digitaliseren, iets waar gangbare stofscanners niet goed mee overweg kunnen. Na het testen van verschillende scanmethodes en lichtopstellingen stroomlijnde het team een werkend proces en droeg dit over aan Knitwear Lab in de vorm van een handleiding. "Ik waardeerde vooral het directe contact met de industriepartner," aldus Kragten.
Voor haar capstone-project onderzoekt Kragten hoe het is om dagelijks lichtgevende kleding te dragen, via first-person research, gericht op kleding waarin licht een subtiele, esthetische rol speelt in plaats van de hele outfit te bepalen. Een onverwacht inzicht: het effect werkt nauwelijks overdag of op goed belichte plekken, omdat lichtgevende materialen juist duisternis nodig hebben om zichtbaar te zijn, terwijl niet-lichtgevende materialen licht nodig hebben om zichtbaar te zijn. "Er is een onverenigbaarheid tussen de twee materialen in een deels lichtgevende outfit," zei ze.
Kritisch op digitale middelen, niet enkel vaardig ermee
Een terugkerend thema binnen de master is dat digitale middelen niet automatisch een verbetering zijn. "Wij geloven er niet in dat digitale middelen altijd de wereld verbeteren. Je kan digitalisering net zo goed inzetten om dingen slechter te maken," aldus Vonk. Studenten worden uitgedaagd om de voor- en nadelen van wat ze maken af te wegen, en concluderen soms dat een prototype, ondanks goede intenties, beter niet ingezet kan worden.
Die kritische blik geldt ook voor duurzaamheid, circulariteit, dekolonialiteit en ethiek, onderwerpen die studenten via lessen verkennen terwijl ze hun eigen visie ontwikkelen. "We hebben niet alleen kritische denkers nodig, maar ook kritische doeners," aldus Vonk, die hoopt dat afgestudeerden de industrie ingaan om bij te dragen aan de digitale transitie, zonder blind achter elke hype aan te lopen.
Ruimte voor samenwerking met de industrie
Samenwerking met de industrie loopt door de hele opleiding heen, van gastcolleges tot feedbacksessies waarin studenten hun werk presenteren. Bedrijven kunnen zich aanmelden als industriepartner en jaarlijks een challenge indienen voor een nieuwe groep studenten, een tijdsinvestering die Vonk op ongeveer drie uur schat en die verder kosteloos is. Ook kunnen bedrijven een gastcollege geven of een feedbacksessie bijwonen om studenten te ontmoeten en hun werk te volgen. "We staan altijd open voor andere manieren van samenwerken waar we zelf nog niet aan gedacht hebben," aldus Vonk.
Nu het tweede jaar van de master is begonnen, zijn de drie thema's verder aangescherpt en is de begeleiding bij de industrieprojecten verfijnd, met meer aandacht voor originaliteit in het capstone-onderzoek. Vonks boodschap aan de bredere industrie: digitalisering, versneld door de opkomst van generatieve AI, vraagt om nieuwe kritische inzichten, en samenwerken met studenten van de master is een laagdrempelige manier om die op te bouwen.