Merryl Tielman: ‘Ik ontwerp vernieuwend, maar niet aanstellerig’
bezig met laden...
Ontwerper Merryl Tielman begon haar carrière als zoekende creatieveling aan de Rietveld Academie. Na één jaar modeontwerp stapte ze over op audiovisueel - ‘in de mode voelde ik me beperkt.’ Verschillende banen en een schoenopleiding later blijkt dat ze toch dichter bij het vuur zat dan ze dacht. Puur uit interesse is ze tassen gaan maken - ‘gewoon voor mezelf.’ Inmiddels kun je die ontwerpen kopen in luxeboetieks als Henrik Vibskov en Concrete Store en bij e-tailers Farfetch en binnenkort ook Breuninger. FashionUnited sprak Tielman over het volgen van haar interesses en organisch groeien als merk.
Het begon met schoenen. Vanwaar de omslag naar tassen?
Ik mocht een tijdje aan de slag als (leren) schoenenontwerper; het is heel logisch om die twee ambachten te combineren. Ik dacht toen vaak: wat voor tassen zouden leuk staan bij deze schoenen? Ik begon ze vrijblijvend te maken, gewoon uit nieuwsgierigheid en om zelf te dragen. Dat bleek veel leuker dan schoenen maken. Je hebt er ook veel minder apparatuur voor nodig; het kan makkelijk aan huis.
Wanneer dacht je: hier moet ik serieus iets mee?
Op een gegeven moment gebeurde het steeds vaker dat bij mooie winkels om de tassen werd gevraagd: wat is dat, van welk merk is die tas? Winkeljuffrouwen liepen me soms zelfs achterna. Bijvoorbeeld bij Ménage à Trois in Amsterdam (dat niet meer bestaat). Ik kwam binnen en het eerste wat ze zei was: mooie tas heb je, in plaats van ‘kan ik je helpen?’ Ik vroeg of zij de tas er ook wilde verkopen en ze zei ja - en ook nog voor een serieuze prijs.
Eerst wilde ik ze gewoon zelf gaan maken, maar al snel besefte ik dat ze dan niet zo mooi zouden worden als ik wilde. De uitstraling van een tas hangt af van de mooie afwerking en daarvoor heb je serieuze machines nodig.
Waarom ben je uiteindelijk in Italië gaan produceren? En hoe kwam je aan je eerste verkooppunt?
Ik heb eerst nog gekeken of het misschien in Nederland kon, maar mijn tassen zijn best ingewikkeld en daardoor ook duur om te maken - de lonen zijn hier te hoog. Samen met mijn vriend ben ik dus toch op zoek gegaan in Italië, en we vonden een geschikte partner, in Veneto.
Ik had toen nog maar drie modellen en liet van elk vijftig stuks maken. Met een paar tassen in de auto ben ik langs winkels gegaan, zonder echt te weten wat mensen ervan zouden vinden. Het was veel duurder geworden dan ik had gehoopt. De eerste winkel waarin ze in 2019 kwamen te liggen was Margreeth Olsthoorn - een referentie in de Nederlandse mode. Dat vond ik heel bijzonder.
De tekst gaat door onder de afbeelding
Waarom voelde je de behoefte om iets nieuws toe te voegen aan zo’n volle markt?
Het komt allereerst uit mijzelf; ik heb altijd nieuwe dingen willen maken. Voor mijn eerste tas heb ik de ‘soufflé’, een bekende constructie die meestal plat is, omgedraaid. Met een heel oud systeem krijg je zo een nieuwe soort tas.
Ik probeer steeds weer iets te maken dat anders is, maar niet aanstellerig. Op de catwalk zag ik een tas in de vorm van een bleekselderij - een leuk idee, maar wat moet je ermee? Ik begin meestal met een detail dat me ergens opvalt of een idee - zoals een vorm die ik zie - en ga dan dingen omdraaien of verplaatsen. Ik haak zelden in op trends. Dan loop je altijd achter de feiten aan.
Waar verkoop je je tassen het best?
Vooral in de Verenigde Staten. In totaal hebben we daar zo’n twintig verkooppunten, zoals The Conservatory. In Amerika geven mensen makkelijker geld uit. Maar ervoor ging het in Denemarken juist heel goed. Het zwaait een beetje.
Nederland is ook een rijk land, maar mensen zijn hier praktischer en minder geneigd om veel geld uit te geven aan mode. Misschien kopen ze eerder een apparaat dan een tas.
Kun je iets vertellen over je laatste collectie?
Ik wilde een Oost-West tas maken, maar dan nog simpeler dan simpel. Mijn ontwerpen zijn vaak ingewikkeld om te maken, met veel details. Dit keer wilde ik juist iets dat niet zo duur hoefde te zijn.
Ik gaf mezelf de opdracht om iets heel simpels te maken dat toch mooi is. Dat zijn die twee tasjes geworden: ze bestaan uit twee delen, supereenvoudig, maar heel sterk in vorm. Ze werden heel goed ontvangen.
De tekst gaat door onder de afbeelding
Je introduceerde ook een nieuw materiaal: paardenhaar.
Ja, dat gaf een nieuwe impuls aan het beeld van de tassen. Het heet paardenhaar, maar het is eigenlijk gewoon leer. Dat vind je nu veel op de leerbeurzen, die twee keer per jaar plaatsvinden.
Oorspronkelijk werkte ik alleen met plantaardig gelooid leer, omdat ik dat mooi vind en het is ook duurzamer, maar daar ben ik wel losser in geworden. Plantaardig gelooid leer is namelijk ook kwetsbaar en niet altijd even praktisch. Ik ben marktgerichter gaan denken.
Hoe kijk je naar de toekomst van de tassenindustrie?
Ik hoor al jaren dat mensen genoeg hebben van grote luxemerken en dat de tijd rijp is voor kleine, onafhankelijke labels. Maar ik zie het nog niet massaal gebeuren. Misschien dat ‘quiet luxury’ in de loop der jaren pas écht gaat doorzetten. Mijn tassen hebben geen schreeuwerige logo’s; de naam staat alleen klein aan de binnenkant.
Ik denk dat mensen het wel steeds meer waarderen als je je eigen ding doet. Nieuwe generaties zijn ook bewuster bezig met wat er in de wereld speelt. Misschien vertaalt zich dat in hoe ze kopen: minder grote merken, meer kleine makers zoals ik.