• Home
  • Nieuws
  • Mode
  • Waarom we alles weten en niets veranderen

Waarom we alles weten en niets veranderen

Hoe een industrie groeit door onze onwetendheid.
Mode|Opinie
In een Aziatische kledingfabriek. Credits: Clean Clothes Campaign
Door Guest Contributor

bezig met laden...

Scroll down to read more

Ik meende dat ik verstand van de industrie had, van haar cultuur, haar kwaliteit en het gebrek eraan. Ik kende de ateliers in Italië waar je de kwaliteit van een espresso besprak, terwijl je naast een strijkmachine stond waarop in twaalf minuten een Prada blazer vorm kreeg. Ik kende de productieplekken in België waar de kwaliteit van het product en die van de mensen die het maakten in één adem genoemd kon worden. Ik kende de arbeidsomstandigheden binnen de productie van high-end designerwear, in de wereld die Europa heette.

Over de auteur:
Peter Leferink is modecriticus, essayist en cultureel strateeg met dertig jaar ervaring in de mode-industrie, aan alle kanten van de tafel. Hij publiceert essays over mode als cultureel en politiek fenomeen, onder meer in NRC en de Volkskrant. Zijn werk beweegt zich op het snijvlak van vakmanschap, systemen en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Jaren later zag ik ‘Blood, Sweat and T-shirts’. De serie volgt zes jonge mensen met een passie voor kleding die kennismaken met de kledingproductie in India. En wat de serie zo onthutsend maakte was de opbouw: de toeschouwer doorloopt precies hetzelfde proces als de deelnemers, van open naar ongemak naar afgrijzen. Door die serie viel alles wat ik dacht te weten als een kaartenhuis in elkaar. Na jaren modeprofessie, aan alle kanten van de tafel, in fabrieken, ateliers, leslokalen. Als ontwikkelaar, als ontwerper, als docent, werd ik omvergeblazen door de ontdekking van een wereld achter de wereld die ik kende.

De eerste fabriek ziet eruit zoals je min of meer verwacht: georganiseerd, misschien iets rommeliger, functioneel, maar zeker niet wat je van een sweatshop vreesde. En juist daar zit de val. Die eerste fabriek activeert onmiddellijk de ‘confirmation bias’: het brein herkent wat het al kent, legt de parallel met de plekken die het vertrouwt en concludeert: zie je wel, het valt mee. Dan de tweede fabriek. Minder licht, langere dagen, jongere gezichten. Hier begint het ongemak. En een verleidelijke gedachte: maar deze mensen hebben werk, ze onderhouden families, wie ben jij om te oordelen? Die gedachte voelt als culturele sensitiviteit. En dat is precies waarom ze zo gevaarlijk is. Dat is een nooduitgang die je precies op de plek houdt waar je al was. Maar dan pas komen we op plek drie, in de derde fabriek. Een plek die bestaat omdat de eerste fabriek de vraag naar goedkope confectie niet aankan, en de tweede de productiekosten nog steeds te hoog vindt voor onze niet te verzadigen honger naar meer, en goedkoper, en nog goedkoper. De derde fabriek is een plek die je normaal nooit ziet. Hier wordt de vraag onhoudbaar: niet of je er iets van mag vinden, maar hoe het mogelijk is dat je het zo lang niet wist. Ik herinner me het beeld van een slapende tiener - of nog jonger - naast een machine, omringd door stof en smeer.

Confirmation bias is geen persoonlijk falen. Het is een cognitief mechanisme dat het systeem kent en gebruikt. De eerste fabriek is niet geruststellend bij toeval, ze is het gezicht dat de industrie naar voren schuift precies omdat ze weet hoe het brein werkt. Dat beeld begint te wankelen in fabriek twee.

De ramp die niets veranderde

Rana Plaza. Op 24 april 2013 stortte een fabrieksgebouw in Savar, Bangladesh in. Meer dan elfhonderd mensen kwamen om het leven. De dag ervoor waren er scheuren geconstateerd. Ingenieurs adviseerden evacuatie. De arbeiders werden toch naar binnen gestuurd, wie niet werkte, verloor zijn dagloon. Er kwamen verontwaardigde verklaringen, duurzaamheidsrapporten en compensatiefondsen. En daarna? De industrie groeide gewoon door. Onderzoek uit 2022 toont aan dat de Franse import uit Bangladesh na de ramp alleen maar steeg.

Psycholoog Paul Slovic noemde dit in 2007 de collapse of compassion: menselijke empathie schaalt nooit mee met het aantal slachtoffers. Elfhonderd doden is een statistiek. Één gezicht beweegt ons. Meer verlamt ons. Dat is geen moreel falen. Het is hoe het brein werkt. En het is precies de eigenschap waarop we Rana Plaza weer heel snel vergaten.

Er is een plek in Noord-Chili waar meer dan zestigduizend ton westerse kleding per jaar naartoe gaat. Polyester, nylon, allemaal vezels die tot tweehonderd jaar in de bodem blijven. Deze berg is onzichtbaar voor de consument die vandaag vier keer op ‘bestellen’ klikte. Shein produceert tussen de tweeduizend en tienduizend nieuwe kledingstukken per dag, middels een algoritme dat sociale media monitort en in real time bepaalt wat er gemaakt wordt. H&M lanceerde in 2019 de Conscious Collection. In 2022 concludeerde de Changing Markets Foundation dat meer dan zestig procent van H&M’s duurzaamheidsclaims ongegrond of aantoonbaar onjuist was. De Conscious Collection bestaat nog steeds.

Hier speelt het klassenvraagstuk zijn onderschatte rol. Mensen met hogere inkomens genereren gemiddeld 76 procent meer kledingafval dan mensen met lagere inkomens, aldus onderzoek van Boston University in 2022. Toch wordt de schuldvraag in het duurzaamheidsdebat stelselmatig neergelegd bij degenen die het minst kunnen veranderen. De vrouw die bij Primark koopt heeft geen keuze. De vrouw die bij een duurzaam merk koopt heeft er wel een, en koopt meer.

De filosoof Charles Mills beschreef dit in 1997 als gestructureerde onwetendheid: niet het gebrek aan informatie, maar de productie van ‘niet-weten’ als institutioneel systeem. In de mode-industrie is die onzichtbaarheid architectonisch. Productie is geografisch ver weg. De toeleveringsketen is ondoorzichtig door ontwerp, niet door onhandigheid. Greenwashing simuleert transparantie terwijl de structurele onzichtbaarheid intact blijft.

Dat systeem heeft een bondgenoot in ons hoofd. John Jost, professor aan New York University, beschrijft in 2004 in zijn system justification theory hoe mensen de neiging hebben het systeem te verdedigen waarin ze leven, niet ondanks de nadelen ervan, maar mede dankzij. Het systeem rechtvaardigen geeft cognitieve rust. Het bevragen kost energie, roept schuld op, vereist dat je je eigen positie daarin onder ogen ziet. Het brein kiest, waar het kan, voor de rust.

Verzet begint met de weigering om het niet te weten terwijl je het kunt weten. De weigering om morele aarzeling te verwarren met sensitiviteit. De weigering om gestructureerde onwetendheid te accepteren als excuus.

Ignorance is bliss, zei Thomas Gray in 1742. Hij had gelijk. Het is heerlijk, tot het dat niet meer is.

Duurzaamheid
Peter Leferink
Productie