De baan van… Cesar Rodriguez Salinas, moderestaurateur en conservator
bezig met laden...
Na zijn opleiding tot algemeen restaurator specialiseerde de uit Bilbao afkomstige Cesar Rodriguez Salinas zich in textiel en modekostuums. Hij zette zijn kennis en scherpe oog in bij verschillende Europese collecties en musea, waaronder het Museum van Cristóbal Balenciaga, tot hij in 2018 neerstreek bij het Kunstmuseum Den Haag. Grote exposities als ‘Art Deco: Paul Poiret’ en ‘Titanic & Fashion’ kwamen onder zijn hoede.
FashionUnited sprak Rodriguez over conservatie en restauratie, de rol van erfgoed en de spanning tussen het bewaren van het verleden zoals het was en het oppoetsen van archiefmode om het te kunnen presenteren aan een groot publiek.
Kun je ons kort langs je loopbaan gidsen?
“In 2006 volgde ik in Spanje (Bilbao, red.) mijn vijfjarige bachelor in schone kunsten, met een specialisatie in conservering en restaureren. Ik leerde er alles wat met erfgoed te maken heeft te conserveren: fotografie, papier, schilderijen, textiel, metalen.
Op het eind kreeg ik een kans: in de leer bij het Balenciaga Museum in Getaria. Van 2011 tot 2013 werkte ik daar aan de originele collectie van Cristóbal Balenciaga. Ik was betrokken bij onderzoek, conservering, wetenschappelijk onderzoek. Ik leerde dingen waar ik als student nooit aan had gedacht, zoals waarom bepaalde stukken degradeerden en anderen niet.
Die ervaring opende mijn ogen en gaf me richting voor mijn masterstudie gericht op wetenschap en erfgoed voor textiel. Dat deed ik twee jaar lang. Daarna begon ik door Europa te reizen en deed ik werkervaringen op, waaronder een half jaar bij MoMu in Antwerpen. Tot ik op de enorme modecollectie van het Kunstmuseum stuitte die terugging tot de 17e eeuw, mét een atelier voor textielconservering. Na een freelanceproject mocht ik er blijven, omdat de vorige conservator met pensioen ging.
Mijn droom was om Europa een beetje te verkennen en dan naar Amerika te gaan: de American dream. Nu vind ik Nederland prima. Ik heb er ook een gezin en ben vader geworden. Inmiddels ben ik alweer hoofd textielconservering sinds 2018.”
Hoe was het om zo dicht op het creatieve proces bij Balenciaga te zitten en begeleid te worden bij archiefonderzoek?
“Voor iemand die net van de universiteit af was, die nauwelijks een woord Engels sprak en uit een heel klein stadje kwam, was het werk voor de stichting een avontuur.
Ik had me altijd al met Cristóbal geïdentificeerd, omdat hij Bask is, zoals ik - Bilbao is Baskenland - maar ook door de precisie waarmee hij mode creëerde.
Een keer per jaar was er een lunch met de nog levende naaisters uit Cristóbals tijd; oude tantes, zou je in het Nederlands zeggen, tot ver in de tachtig, die de oorlog hadden overleefd. Zij bekeken ook je werk en zeiden dingen als: ‘Cristóbal had die mouw er zó af gescheurd.’ Hij was toen allang gestorven (1972), maar door de verhalen van die dames leerde je toch een beetje wie hij was. Daaruit begreep ik dat wat hij maakte niet zomaar mooie kleren waren voor op een lichaam, maar een daad van perfectie via naald en draad.”
Hoe ziet een typische werkdag eruit?
“De collectie van het Kunstmuseum is ontzettend divers – van eeuwenoude gebruiksvoorwerpen tot moderne designerkledingstukken – en dat vormt de basis van mijn werk. De ene dag krijg ik vragen van onderzoekers of musea voor een bruikleen, de andere dag duik ik diep in de archieven.
Daarnaast staan er altijd harde deadlines van tentoonstellingen. Als een topstuk geselecteerd wordt dat niet in een goede staat is, moet ik een plan maken om het te redden.
Ik begeleid ook studenten met mode- en conserveringsachtergronden. Ik stem hun stage af op wat het atelier op dat moment nodig heeft, zoals een historische reconstructie, maar het moet altijd een link hebben met de collectie.
Dit jaar werkte ik bijvoorbeeld met een modestudente aan een replica van een 18e-eeuwse robe à la française die al drie keer was vermaakt. We moesten de laatste versie achterhalen. Ik heb haar geleerd hoe ze door de originele stof heen kon kijken om de plooien te identificeren en daarvan een patroon te maken.”
Welke projecten lopen naast de tentoonstellingen?
“Deze week heb ik experts ontvangen op het gebied van de geschiedenis, tradities en cultuur van Suriname, voor advies over drie angisa’s uit onze collectie. Dat zijn hoeden die door vrouwen gedragen werden na de vrijmaking van Suriname. De angisa is gemaakt van een katoenen print van zo’n 100 jaar oud. Ik moest hem schoonmaken zonder de sporen van de geschiedenis uit te wissen. Ik reinigde het stuk zodat het in goede staat terug in gebruik genomen kan worden.”
Komen onderzoeksvragen van de directie?
“We hebben sinds vorig jaar een nieuwe directeur (Margriet Schavemaker), en bij elke wissel worden nieuwe doelen gesteld. Een ervan is: meer kennis vergaren over de collectie. Stel je hebt een iconische jurk in handen die nooit goed bestudeerd is, dan wil je begrijpen waar de jurk geproduceerd is, waarom die is versleten, en hoe je elk onderdeel van de plastics tot de veren kunt behandelen.
Onderzoek doen we samen met andere instellingen. In Nederland heb je de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Daar zijn chemici die met één draad de originele kleurstof kunnen identificeren. Een specialist neemt de vezel mee naar het lab, analyseert die en zegt welke kleurstoffen erin zitten. Mijn taak is dan te achterhalen waarom de kleur bijvoorbeeld vervaagd is.
Dat soort onderzoek heeft geen deadline. Het is een doorlopend proces waarvan het eindresultaat een publicatie of een lezing is. De andere lijn zijn studenten die meer willen leren over mode.”
Hoe gaat het restauratieproces in zijn werk?
“Als de kleur is vervaagd, kunnen we een stuk niet zomaar opnieuw verven. Vanuit museale ethiek is het doel: het verhaal bewaren zoals het nu is. We documenteren wat er met een kledingstuk is gebeurd voordat het bij ons binnenkwam.
Zo was er een 17e-eeuws wambuis, een van onze topstukken. We dachten altijd dat het geel met groen was, maar uit onderzoek bleek dat het oorspronkelijk paars met groen was. Dan breng je dat paars niet terug, maar je legt wel officieel vast hoe het ooit was. Eventueel kun je met een digitale reconstructie aan het publiek laten zien hoe helder de kleuren eruit moeten hebben gesprongen.”
Welke stukken worden wel gerestaureerd?
“Soms is textiel zo erg aangetast dat het niet meer op een mannequin kan staan. Dán stap je over van conserveren naar restaureren: je zoekt een oplossing om het materiaal te verstevigen voor de presentatie.
Neem nu ‘verzwaarde zijde’. Dat is zijde die vroeger met metaalzouten werd behandeld om het zwaarder en luxueuzer te laten aanvoelen, maar die zouten vreten de stof nu van binnenuit op. We hebben momenteel nog niet de technologie om die zouten te verwijderen en te vervangen.
Het blijft altijd een ethische afweging. Vervang je de voering van een jurk zodat je hem toch kunt exposeren? Of bewaar je het stuk in beschadigde staat, in de hoop dat er over tien of twintig jaar een techniek bestaat die het materiaal wél kan redden?
Bij een schilderij weet bijna iedereen wel wat je er wel en niet mee mag doen, maar bij kleding is het maar de vraag: wat is acceptabel? Ik stop mijn eigen kleding gewoon in de wasmachine – waarom mag dat hier in het museum dan niet? Musea hanteren andere regels en die zijn relatief nieuw.”
Is conservator-restaurator een solitair beroep?
“Ja en nee. Bij een wandtapijt van drie meter lang werk je met een heel team, maar bij een jurk heb je liever niet te veel handen aan de stof; daar is simpelweg geen ruimte voor.
Als ik geconcentreerd met een stuk bezig ben, geniet ik van de eenzaamheid en de autonomie. Mijn vak is te vergelijken met dat van dokters: artsen kunnen verschillende ideeën hebben bij wat het beste is voor de patiënt. Uiteindelijk moet jij als restaurator zelf de beste afweging maken voor het object dat voor je ligt.
In het atelier voel ik me best solitair, maar het vereiste stuk kennisdeling is juist heel sociaal. Mijn netwerk loopt van België en Spanje tot aan de Verenigde Staten en Frankrijk. Ik heb nauwe banden van het Institut National du Patrimoine in Parijs tot in Amerika. Die contacten zijn essentieel, want iedereen heeft weer een andere specialisatie.”
In hoeverre ben je afhankelijk van dat netwerk?
“In Nederland is de vijver waarin we vissen klein. Het Rijksmuseum heeft drie textielconservatoren, het Kunstmuseum heeft mij, en verder zijn er vooral veel freelancers. Er zijn maar weinig vaste professionals verbonden aan instellingen. Dan moet je elkaar wel helpen, vind ik, maar niet iedereen; Je krijgt meer terug als je informatie weggeeft, dan wanneer je alles voor jezelf houdt.”
Kun je je een bijzonder conservatieproject voor de geest halen?
“In de studio lag al jaren een bijzondere donatie in een plastic tas, die als referentiemateriaal werd bewaard. Het object was ooit een jurk geweest van leavers lace – heel fijn kant – die geborduurd was met een Franse techniek typisch voor de jaren twintig. Later, bij een bezoek aan het Victoria & Albert Museum voor een bruikleen voor de Coco Chanel-tentoonstelling, zag ik in een vitrine exact hetzelfde kant. Ik kwam via de curator in contact met de eigenaar – het was een bruikleen uit Los Angeles – om zo het patroon te kunnen vergelijken.
Na verder onderzoek, inclusief bezoeken aan de archieven van Chanel in Parijs en de stadsarchieven, ontdekte ik dat het stuk in ons atelier hoogstwaarschijnlijk een originele overlevende Chanel was uit de tijd vóór de little black dress, dus een heel bijzondere periode. Na wetenschappelijk onderzoek bleek het kant en de kralen inderdaad origineel te zijn.”
Wanneer geniet je het meest van je werk?
“Dat zit vaak in de interacties. In 2025 deed het Kunstmuseum mee aan het tv-programma ‘Geheimen van het museum’. Na de uitzending stroomden de e-mails binnen van dames, veelal op hoge leeftijd, die me wilden ontmoeten. Soms brachten ze donaties mee. Eén dame van 94 jaar schonk een stuk Liberty stof van de trouwjurk van haar moeder. Ik kon haar via mijn contacten bij het Liberty archief vertellen dat dit stuk gedocumenteerd is als afkomstig uit 1942 of 1943. Ze raakte daar zeer door geëmotioneerd. De losse stukken van de jurk mochten we houden; ze vond het museum de juiste plek om hem te bewaren. Had die dame ons nooit gevonden, dan hadden we nooit geweten dat de jurk uit de jaren veertig stamt.
Zonder dit soort verhalen zou conservering en restaureren een droge bezigheid zijn. De relaties en kennis die langs het conserveren ontstaan, vind ik bijzonderder.”
De restauratie- en conserveringsafdeling van het museum bestaat nu 60 jaar. Is er veel veranderd?
“De ethische principes zijn door de jaren heen veranderd. Dit jaar vieren we ons jubileum, en mijn bijdrage aan dat project was om door de archieven te gaan en te kijken wie er voor mij heeft gewerkt op het gebied van conservering. Er komt een catalogus van zo’n 200 pagina’s, met verschillende verhalen en benaderingen van conservatie als vak maar ook als geschiedenis van onze modecollectie. Wat me fascineerde: zelfs in de tijd dat het vak nog niet zo ontwikkeld was, werd er al veel gedocumenteerd.
De eerste textielconservator begon hier in 1966, en specifiek als modeconservator – wat uitzonderlijk was. Zij heet Vera en woont in de Dominicaanse Republiek. Het contact leggen was aanvankelijk lastig, totdat ik ontdekte dat ze Spaans spreekt. Daarna klikte het meteen. Ze stuurde me achteraf zelfs haar trouwfoto’s; dat zegt een hoop.
Via haar leerde ik dat het vak meer gericht was op restauratie: je moest stukken er zo nieuw mogelijk uit laten zien. Tegenwoordig gaat het meer om het verhaal en hoe je dat het best kunt doorgeven. Als conservator wil je onzichtbaar zijn. Kan de bezoeker aan een jurk zien dat er zes maanden aan gewerkt is, dan heb je je werk niet goed gedaan. Je wil geen spoor achterlaten.”
Zijn de materialen en methodes die je gebruikt anders?
“Zeker. In de jaren 2000 was het gebruik van synthetische materialen normaal of zelfs goed. Nu is dat wel anders. We zijn ons meer bewust van klimaat, milieu en gezondheid. De koolwaterstoffen die vroeger veel werden gebruikt – reuze effectief voor het verwijderen van vlekken, maar schadelijk voor je gezondheid – zijn nu nauwelijks meer verkrijgbaar, en dat is maar goed.
Ik probeer zo min mogelijk wasmiddel te gebruiken en gebruik natuurlijke verfstoffen, waarmee je vergelijkbare resultaten kunt bereiken als met synthetische.
Ik ben opgeleid door mensen die actief waren in de late jaren tachtig, dus ik ken de oude methodes. De moderne aanpak moest ik mezelf bijbrengen. Je moet je kennis blijven bijspijkeren en gemotiveerd blijven om je verduurzaming van het vak nog beter te doen.”
Hoe voel je je in het atelier?
“Het is maar een kleine ruimte waar veel mensen langskomen. Die mensen maken de plek bijzonder. Als ik heimwee heb, mis ik nooit de plek zelf, maar de herinneringen. Wij conservators gaan uiteindelijk weg – met pensioen, of wat dan ook. Maar de stukken blijven. Mijn persoonlijke doel – los van opdrachten en mijn rol – is om iets achter te laten dat van waarde is voor later.”