• Home
  • Nieuws
  • Business
  • De maker in beeld: waarom het podium voor vakmanschap groeit

De maker in beeld: waarom het podium voor vakmanschap groeit

Door Nora Veerman

7 dec. 2021

Business

Beeld: Pexels

Op een hoek van de Amsterdamse Bilderdijkstraat zit sinds juli de winkel van kledingmerk New Optimist. In de kleine, lichte boetiek hangen broeken, truien en shirts van duurzame materialen en met originele details, zoals asymmetrische zakken of zelfontworpen prints. Maar wat New Optimist vooral bijzonder maakt: slechts enkele meters naast de kledingrekken begint het atelier waar de kleding van het merk geproduceerd wordt. Achter een viertal naaitafels werken drie vrouwen geconcentreerd aan nieuwe kledingstukken. Rollen stof liggen opgestapeld onder een grote werkbank, twee medewerkers knopen een praatje aan. Het zachte ratelen van naaimachines klinkt op de achtergrond.

Het is zelden dat de makers van mode zo zichtbaar zijn. Een uitzondering geldt voor ontwerpers, die vaker een podium krijgen voor hun rol. Tegelijkertijd zijn ontwerpers, met name die van grotere labels, sterk afhankelijk van de mensen die het uitvoerende werk doen: van meten tot snijden en spelden tot stikken. De identiteit en inspanningen van deze mensen gaan gewoonlijk echter verborgen achter een grote façade van marketing en branding.

Bij New Optimist zijn de makers juist onderdeel van de ‘buitenkant’ van het merk. Zichtbaar zijn ze niet alleen in het open atelier aan de Bilderdijkstraat, maar ook op de social mediakanalen van het label. Daar worden de medewerkers regelmatig in beeld gebracht terwijl ze aan het werk zijn of pauze houden in de zon. Korte filmpjes tonen fragmenten van het werkproces: de camera zoomt in op een knippende hand, een potlood dat over patroonpapier gaat, of een ratelende naaimachine waarmee behendig een tailleband wordt aangezet.

De komst van New Optimist is een van de vele tekenen van een groeiende belangstelling voor makers en het maakproces in de afgelopen jaren. Die belangstelling uit zich in initiatieven als New Optimist, maar ook in films en televisieprogramma’s. Denk bijvoorbeeld aan de documentaires ‘Dior and I’ en ‘Signé Chanel’ waarin de kijker een blik krijgt in de ateliers van twee grote modehuizen. In het Openluchtmuseum liep tot oktober de tentoonstelling ‘Makers in Beeld’, waarin het belang van ambacht anno nu aan bod kwam. In het Textielmuseum staat nog tot acht mei de expositie ‘Makersgeheimen' . Waar komt al die interesse voor makers vandaan en wat heeft deze te betekenen?

Who made my clothes?

In 2008 verscheen het boek ‘The Craftsman’, geschreven door Richard Sennett. Daarin concludeerde Sennett dat in een samenleving van toenemende mechanisering, standaardisering en economische concurrentie het gevoel is verdwenen voor wat het betekent om simpelweg een mooi, goed ding te maken. Dat proces kan juist enorm verrijkend zijn, schreef hij. Met het boek raakte Sennett een gevoelige snaar in een wereld waarin maker en materiaal steeds meer overschaduwd leken te raken door winst.

Dat dat het geval was, werd op dramatische wijze duidelijk bij het instorten van de kledingfabriek Rana Plaza in Dhaka, Bangladesh, in 2013. Bij de ramp kwamen meer dan elfhonderd kledingmakers om het leven. In de fabriek werd kleding geproduceerd voor grote multinationals als Mango en Primark. De eigenaars van de fabriek hadden hun schouders opgehaald voor waarschuwingen dat het gebouw op instorten stond en hadden medewerkers ondanks de risico’s naar hun werk gestuurd.

In de nasleep van Rana Plaza zetten activisten Orsola de Castro en Carry Somers de non-profitorganisatie Fashion Revolution op om te strijden voor meer transparantie in de toeleveringsketen, herwaardering van vakmanschap en een veilige en waardige werkomgeving voor makers. Daarnaast ontwikkelden De Castro en Somers de campagne ‘Who made my clothes?’. Met de campagne werd aandacht gevraagd voor de mensen achter de kleding en werden consumenten opgeroepen om modemerken kritisch te bevragen over de werkomstandigheden in hun productiefaciliteiten. De campagne loopt nog steeds: ieder jaar wordt de slogan ‘Who made my clothes?’ tijdens Fashion Revolution Week verspreid via social media.

Dat de campagne anno 2021 nog gevoerd wordt onderstreept hoe weinig er in de tussentijd is veranderd. Dat blijkt ook uit de aanhoudende stroom nieuwsberichten over ernstige schendingen van mensenrechten in de productieketens van kledingbedrijven. Tijdens de pandemie werd de situatie voor veel makers zo mogelijk nog nijpender: door teruglopende verkoopcijfers schrapten veel modemerken bestellingen waardoor miljoenen arbeidskrachten zonder inkomen op straat kwamen te staan. De urgentie om verandering te brengen in de manier waarop er met makers en hun werk wordt omgegaan, was nog nooit zo groot.

Met uitsterven bedreigd: vakmanschap

Daarnaast lijkt er onder het mom van slow fashion steeds meer vraag te komen naar unieke, kwalitatieve kledingstukken die lang meegaan. Daarin schuilt een kritiek op het fast fashion-systeem, dat gekenmerkt wordt door massaproductie, een laag prijsniveau en continue vernieuwing. Binnen dit systeem gaat ontwerp bij uitstek boven maakproces. Immers, met een mode die zo snel verandert krijgen de visuele aspecten van een kledingstuk voorrang op kwaliteit en levensduur. Maar ook dit systeem wordt steeds moeilijker houdbaar, niet in de laatste plaats omdat het door de lage prijzen en hoge omloopsnelheid uitbuiting in stand houdt.

Goed geproduceerde en tijdloze kledingstukken, gemaakt met aandacht voor materiaal, mens en natuur, kunnen hieraan tegenwicht bieden, zo is het idee. Zulke kledingstukken vind je alleen niet bepaald op elke straathoek. Fast fashion heeft in de afgelopen decennia de meeste ‘tragere’ modebedrijven weggeconcurreerd. Zelfs als de tractie weer groeit, stamp je nog niet zomaar een nieuwe productielijn uit de grond. De kennis en vaardigheden dat vergt zijn met name in West-Europa schaars geworden met de verplaatsing van productiefaciliteiten naar landen met lagere lonen. Inmiddels wordt ook daar vakmanschap zeldzamer: de hoge snelheid van de productie laat weinig ruimte voor ambacht of voor autonomie binnen het maakproces.

Zelf kleding maken is een andere mogelijkheid, maar ook dat gebeurt steeds minder. Eeuwenlang was er een duidelijke economische drijfveer om te leren naaien of breien, tegenwoordig is dat anders. Was het in de jaren zestig nog goedkoper om een kledingstuk zelf te maken dan om het aan te schaffen, die balans is in de afgelopen decennia omgeslagen. Een stuk stof is in veel gevallen prijziger dan een T-shirt van een fast fashionketen, en daar komt dan nog een tijdsinvestering bovenop. Als je spijkerbroek scheurt kun je hem repareren, of voor twee tientjes een nieuwe kopen. Dat laatste is door de jaren heen een vanzelfsprekend geworden, met verlies van kennis en kunde tot gevolg.

De nood aan ambacht

Niettemin is vakmanschap essentieel. Aan de ene kant om kwalitatieve kledingstukken te kunnen blijven maken, maar ook om complexe projecten te kunnen realiseren, zoals theater- en filmkostuums of haute couturestukken. Daarvoor is begrip van (en het geduld voor) verfijnde technieken nodig. Voor couture-ontwerpers geldt dat vakmanschap cruciaal is om ontwerpen uit te voeren, maar ook om te experimenteren met nieuwe vormen en details. Hoe kun je een tulen rok er precies zo uit laten zien dat het lijkt alsof er een gat in is gemaakt met een kettingzaag? Hoe bereik je een glinstereffect dat aan een wateroppervlak doet denken? Dat zijn vragen waar vakmensen mee uit de voeten kunnen.

Beeld: Pexels

Ontwerpers en vakmensen kunnen veel van elkaar leren. Precies die wisselwerking staat centraal in de tentoonstelling ‘Makersgeheimen’ in het Textielmuseum. Daar krijgt de bezoeker een kijkje in het maakproces van verschillende ontwerpers, onder wie Tess van Zalinge en Jef Montes. Zij werken regelmatig in het TextileLab van het museum. Daarbij werken ze samen met technische experts, zoals weef- en garenspecialisten. Hun aandeel in het maakproces blijft vaak op de achtergrond, maar is een voorwaarde voor innovatie. De tentoonstelling brengt hun samenwerking in beeld, en plaatst daarmee een kanttekening bij het idee dat ontwerpers de touwtjes in handen hebben. Integendeel: veel vaker is het ontwikkelen van een nieuw modesilhouet een kwestie van uitwisseling, discussie en dialoog.

Nieuwe makers

Dat er behoefte is aan vakmanschap moge duidelijk zijn, maar waar moet dat vandaag de dag vandaan komen? Het voor de hand liggende antwoord is modeacademies, al worden de studenten vaker tot ontwerpers opgeleid dan tot makers in nauwe zin. Ten minste zo belangrijk zijn de vakopleidingen in mode, textiel en maatkleding, veelal op mbo-niveau, die over het algemeen minder publiciteit krijgen. Daarnaast zijn in de afgelopen tien jaar verschillende nieuwe instituten opgezet die een centrale rol vervullen in het hernieuwen van vakmanschap en de waardering voor het maken van kleding in het algemeen.

Om in een hoog niveau van vakmanschap te voorzien, van het kaliber dat nodig is voor couture of balletkostuums, bestaat in Nederland sinds 2011 de Meesteropleiding Coupeur . Dit najaar kwam daar een aparte hbo-opleiding voor coupeurs bij. Initiatieven als de Arnhemse Studio Ryn, die opende in 2016, combineren de functie van opleidingsinstituut met die van atelier. Studio Ryn werkt samen met studenten en alumni van de Rijn IJssel Specialist Fashion opleiding en Modevakopleiding HJS. In de studio worden collecties geproduceerd voor beginnende ontwerpers. Daarnaast biedt het expertisecentrum zelf verschillende opleidingen, masterclasses, workshops en lezingen aan.

Dan zijn er nog organisaties zoals het Crafts Council, opgericht in 2012, dat makers ondersteunt bij het ontwikkelen van hun talenten en daarnaast bijdraagt aan het behoud en de herwaardering van de creatieve ambachtscultuur in Nederland. Naast workshops, masterclasses en lezingen organiseert het Crafts Council ook langlopende projecten als The Linen Project.

Van wie ook nog veel te leren is, is de groep vakmensen afkomstig uit landen als Syrië en Turkije, waar - in tegenstelling tot Nederland - veel kleding wordt geproduceerd en de waardering voor goed kleermakerschap hoog is. Zij bezitten vaardigheden die zeldzaam zijn in de Lage Landen. Een aantal van de belangrijkste productie-ateliers in Nederland, waaronder Makers Unite (2016), A Beautiful Mess (2019) en Fabriek Fris (2020), werken met hen samen.

Om vakmanschap in Nederland zichtbaarder te maken en de waardering ervoor te doen groeien, is transparantie nodig. Dat is voor veel organisaties dan ook een hoge prioriteit. Die transparantie krijgt vorm via lokale productie met open ateliers en representatie van makers op sociale media. Maar er zijn ook andere manieren: modemerk Schepers Bosman, dat een eigen atelier heeft in Amsterdam, plaatst de stiksels bewust aan de buitenkant van hun ontwerpen om de nadruk te leggen op het maakproces. Laura ter Schure, alumnus van de TMO Business School, interviewde voor haar modemerk C by Stories alle medewerkers van de fabrikant in Istanboel over specifieke producten en over hun levens en drijfveren. Die interviews krijgen klanten te lezen op het moment dat ze een kledingstuk bestellen.

Beeld: Pexels

Kortom, het afgelopen decennium is er in Nederland veel gedaan aan het opleiden van een nieuwe generatie vakmensen die ongetwijfeld een waardevolle bijdrage zullen leveren aan het modelandschap. Het creëren van een podium voor hun werk, en dat van makers wereldwijd, zorgt er hopelijk voor dat zij in de toekomst niet alleen gezien en gehoord worden, maar dat ze ook de waardering krijgen die hen ten deel valt. Zeker op internationale schaal zijn daarin nog veel stappen te zetten.

Daarbij is het belangrijk dat makers eigenaarschap behouden, niet alleen over hun werk, maar ook over de manier waarop ze worden gerepresenteerd. Alleen zij weten immers echt wat het betekent om hun werk te doen. Wie daar een indruk van wil krijgen, kan het best bij stap één beginnen: zelf naald en draad ter hand nemen en ervaren hoe dat voelt.