(advertentie)
(advertentie)
Kijken: Tentoonstelling Just Married

De bruidsjurk, voor veel vrouwen een van de hoogtepunten van hun trouwdag. Door de jaren heen is echter veel veranderd in de bruidsmode. Waarom is een bruidsjurk tegenwoordig vaak wit? Waarom wordt een sluier gedragen en welke parels van ontwerpen zijn de laatste eeuwen gemaakt? Tentoonstelling 'Just Married, een geschiedenis van het huwelijk' toont jurken en accessoires vanaf de 18e eeuw tot nu. Van modehuis Natan tot Yves Saint Laurent en onbekende kleermakers die hun inspiratie haalden uit de ontwerpen van onder andere Schiaparelli.

De tentoonstelling is nog tot 3 september 2017 te zien in het Museum Kant en Kostuum in Brussel. Hieronder een impressie van de tentoonstelling.

Trouwjurk Yves Saint Laurent, 1985

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Strapless bruidsjapon uit 1954

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Bruidsjapon uit 1948, geïnspireerd op het werk van Schiaparelli

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Weelderige jurk met korset en hoofdtooi

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Beeld: © Museum voor Kostuum en Kant / Eric Danhier

Kijken: Tentoonstelling Just Married In mei besteedt FashionUnited aandacht aan het thema bruidsmode. Voor alle reads over bruidsmode, klik hier.
Textielmuseum in Tilburg wint Museumprijs 2017

De winnaar van de Museumprijs 2017 is bekend: het Textielmuseum in Tilburg. Het museum mag zichzelf ‘Museum van het jaar 2017’ noemen en wint een bedrag van 100.000 euro. Met het geldbedrag zal het Textielmuseum haar -vooraf ingediende- museumdroom realiseren: de aanschaf van een weefmachine waarop bezoekers een theedoek naar eigen ontwerp kunnen uitwerken.

Errol van de Werdt, directeur Textielmuseum Tilburg, zegt in een reactie: “We zijn ontzettend trots dat we onszelf vanaf nu ‘Museum van het Jaar 2017’ mogen noemen en we onze museumdroom kunnen realiseren. De mooiste ervaring van de afgelopen weken is dat ik heb kunnen zien dat iedereen in het museum zich vol overgave heeft ingezet om deze prijs te winnen. We gebruiken het gewonnen bedrag om de bezoeker een totaalbeleving te bieden en onze twee werelden van werkplaats en museum nog beter met elkaar te verbinden: we willen een nieuwe publieksvriendelijke weefmachine aanschaffen, zodat de bezoeker een theedoek naar eigen ontwerp kan maken. Je komt ons museum binnen als bezoeker en gaat er uit als maker!”

Textielmuseum in Tilburg wint Museumprijs 2017

Naast het Textielmuseum waren ook Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch genomineerd. TextielMuseum Tilburg kreeg 32.115 stemmen (39,7 procent). Nog nooit eerder haalde een museum zoveel stemmen. De twee andere genomineerden, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch kregen respectievelijk 28.008 (34,6 procent) en 20.807 (25,7 procent) van de stemmen. Er werden 80.930 stemmen uitgebracht op de drie musea samen.

TextielMuseum Tilburg stond de gehele stemperiode aan kop, dankzij een actieve campagne om te stemmen via social media. In de laatste week maakte het museum nog een eindspurt. Met het bezoek van de koninklijke familie aan Tilburg had het museum nog een extra troef in handen: een dag na Koningsdag hingen de mantel en japon van Koningin Máxima al in het museum.

Beeld: Roy Beusker Fotografie

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

INTERVIEW Het Huis met de Groene Lantaarn: de naam zal bij de jonge generatie niet direct en belletje doen rinkelen. Toch was dit ooit het grootste import- en agenturenmodebedrijf van Nederland. ‘Het Huis’ vertegenwoordigde commerciële Duitse topmerken waaronder Bleyle, dertig jaar geleden een wereldfirma gespecialiseerd in tricot. Auteur Jos Weijens werkte bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn en schreef een boek over de opkomst en ondergang van het mode-imperium. De schrijver heeft een vlotte pen: hij voert zijn lezers mee naar een andere tijd, al is de tone-of-voice niet nostalgisch. FashionUnited belde de auteur op voor een gesprek.

U bent een laatbloeier. Op 75-jarige leeftijd ontdekte u de liefde voor het schrijven.

“Dat klopt. Ik ben een watersporter, schrijven doe ik dan ook vooral in de wintermaanden. Hiervoor heb ik twee boeken uitgebracht en ik had ontzettend veel zin om weer een boek te schrijven. Aangezien ik bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn heb gewerkt, kon ik putten uit een schat aan verhalen en herinneringen.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Heeft u veel vooronderzoek verricht?

“Zelf ben ik in 1969 bij Het Huis komen werken, het bedrijf werd opgericht in 1949. De ontstaansgeschiedenis ken ik dus alleen van horen zeggen. Daarom sprak ik veelvuldig met oud-collega’s en mijn secretaresse, die de laatste acht jaar mijn steun en toeverlaat was. Zij brachten me weer in contact met medewerkers die er daarvóór hadden gewerkt. Een aantal van hen is inmiddels de tachtig gepasseerd en moest in hun geheugen graven. Grappig genoeg kwamen de herinneringen vrij snel weer boven: na een paar dagen belden ze me terug met hele verhalen. De gebeurtenissen zijn grotendeels authentiek, aangevuld met mijn eigen voorstellingsvermogen.”

Kort na de Tweede Wereldoorlog had Hans Poelmann (1921-1992) het lef had om nota bene Duitse modeartikelen te verkopen. Het sentiment voor producten uit het land van de voormalige bezetter was in die tijd uiterst negatief. Hoe reageerde het Nederlandse modepubliek?

“In het begin niet erg positief. Maar de omstandigheid dat er weinig goederen te koop waren, hielp een handje. Hoewel wij het thuis bepaald niet slecht hadden, droeg ik schoenen van mijn zus. Niet omdat mijn ouders geen geld hadden voor een nieuw paar, maar omdat er geen kwalitatief goede schoenen in de winkels lagen. In 1949 waren er bijna geen merkartikelen te koop. Wel lokaal geproduceerde kleding, gemaakt van stoffen die eerst een andere bestemming hadden. Het Duitse Bleyle was een groot bedrijf met de knowhow en financiële middelen om flink uit te pakken. Op het gebied van kwaliteit dan, het woord mode kwam nog niet in hun woordenboek voor. De mensen voor wie Bleyle een begrip was, waren bereid een flinke duit voor de kleding te betalen. Maar er waren ook mensen die beslist geen Duitse mode wilden dragen. Wie een ‘Duitse Volkswagen’ reed werd met de nek aangekeken. Mijn vaders Ford Prefect viel van ellende bijna uit elkaar, maar een Volkswagen aanschaffen? Dan ging hij nog liever met de fiets.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat kunnen we leren van Poelmann over ondernemerschap in de mode?

“Dat je als leverancier niet te ‘hongerig’ moet zijn, maar kieskeurig aan wie je wel en niet levert. Dat is iets wat meneer Poelmann vanaf het begin heel goed heeft aangepakt. Hij was kritisch, zelfs lastig naar klanten toe. In ruil voor exclusiviteit in een bepaalde stad of provincie werden zij geacht flinke orders te schrijven. Het Huis met de Groene Lantaarn was één van de eerste modebedrijven dat een computer installeerde. Dat gaf een hoop problemen, klanten vonden het werken met girobetaalkaarten maar een gedoe. Maar Poelmann had overal een oplossing voor en was zijn tijd altijd net vooruit. Verstand van mode had hij echter niet, dat moet ik er wel bij zeggen. Daar had hij zijn personeel voor.”

Het eerste deel is geschreven vanuit het gezichtspunt van meneer Poelmann. Vanaf het tweede deel wordt het verhaal verder vertelt door uw ogen. Maakte dit het schrijven makkelijker?

“Ja, hier kon ik vanuit mijn gevoel schrijven, over mijn eigen stommiteiten en capaciteiten. Het tweede deel is daarmee ook persoonlijker. Het begint met de slepende sollicitatieprocedure die vooraf ging aan mijn twintigjarig dienstverband. Ik heb drie keer gesolliciteerd voordat ik werd aangenomen. Sindsdien heb ik veel kansen gekregen en benut. Ik ben binnengekomen als leerling-verkoper en weggegaan als verkoopleider. Er was ook ruimte om te groeien: een vertegenwoordiger boven mij doorliep dezelfde stappen. Telkens als hij promoveerde naar een groter rayon, kreeg ik zijn functie. Een beetje voorspelbaar, al ging het uiteraard niet vanzelf. Toen ik daarna voor mezelf begon, had ik veel profijt van alles wat ik had geleerd en heb een redelijk succesvol eigen bedrijf gerund dat ik op mijn 61e heb verkocht.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat voor werkgever was meneer Poelmann?

“Een uitstekende. Hij zorgde goed voor zijn medewerkers omdat ze hard voor hem werkten. Als broekie van achtentwintig reed ik in een Mercedes, dat was in 1969 iets bijzonders. Maar, er werd wel wat geëist. Iedereen moest naar zijn pijpen dansen en de bedrijfscultuur was nogal hiërarchisch. Persoonlijk had ik daar geen moeite mee, maar er waren collega’s die na twee jaar opgebrand het pand verlieten. Bij klanten had meneer Poelmann niet de allerbeste naam. Tact kwam in zijn woordenboek niet voor. Hij beweerde soms de gekste dingen, maar dat werd geaccepteerd. Hij voerde precies de merken die je moest hebben, wilde je meetellen in de modewereld. Het bedrijf verdiende er goed aan. Er werd voor tonnen per jaar geadverteerd. Uiteraard middels zijn eigen reclamebureau.”

Een markante gebeurtenis in het boek is de verhuizing van de chique Herengracht naar het Confectie Centrum, nu het World Fashion Centre. Wat voor impact had dat?

“Rond 1977 was het tijdperk van confectie aan de gracht over. Wij waren als enige overgebleven en werkten nu ook met tussencollecties. Het werd steeds moeilijker om klanten later in het seizoen nogmaals zover te krijgen om naar de grachtengordel te komen. Toen heeft mijn baas de hele eerste verdieping van de derde toren in het confectiecentrum afgehuurd. De verhuizing was een aderlating, want er waren tonnen gestoken in het verbouwen van de panden aan de Herengracht 106, 108 en 110. Gewend aan de allure van de grachten vonden wij het confectiecentrum minnetjes, maar het was wel veel makkelijker voor klanten met zoveel bedrijven onder één dak.”

Vergeleken met de snelheid van de mode-industrie nu, was de confectie-industrie veertig jaar geleden een andere wereld.

“Onze dochter is mode-inkoopster bij een van de grootste moderetailers van het land en als ik haar verhalen hoor is er veel veranderd. Merken komen tegenwoordig elke zes weken met een nieuw programma, een tempo om nerveus van te worden. Hoe anders was dat in mijn tijd. Twee keer per jaar kwam er een collectie uit die klanten in de showroom inkochten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en dat ging een paar maanden zo door. Daarna was het seizoen afgelopen. Onze doelgroep bestond uit prachtige bedrijven zoals Maison de Bonneterie, Schunk en Stoutenbeek, om er maar enkele te noemen, die hebben het om wat voor reden dan ook niet kunnen bolwerken.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het boek schetst een realistisch beeld van de harde maar ontzettend leuke modewereld. Zo ook van uw voormalige werkgever. Was u niet bang voor de reacties?

“Toen het boek af was dacht ik: zouden de nakomelingen van meneer Poelmann het wel kunnen waarderen? Maar mijn redacteur verzekerde mij ervan dat je na het lezen van het boek alleen maar respect krijgt voor die man. Toen ik het opnieuw las dacht ik: ja, hij heeft gelijk. Het was niet mijn intentie om een standbeeld voor hem op te richten, dat gebeurde onbewust.”

En hoe reageerden oud-collega’s?

“Aanvankelijk waren ze wat huiverig om mee te werken, maar ze vinden het fantastisch om te lezen. Omdat het bedrijf al lang niet meer bestaat, was er veel weggezakt. Door dit boek komt het allemaal weer boven. Onze baas was zelden tevreden, maar op de één of andere manier schiep dat een band onder zijn werknemers. We hebben ontzettend hard gewerkt maar ook verschrikkelijk gelachen. Een gewoonte in die tijd was dat alle sollicitatiebrieven naar een zekere professor Margadant uit Den Haag gingen, een autoriteit op het gebied van psychologisch onderzoek naar handschriften. Als gevolg daarvan hadden we allemaal hetzelfde sausje over ons karakter. Wanneer ik oud-collega’s aan de telefoon spreek die ik die ik twintig jaar niet heb gezien, voelt het al na drie minuten weer als vanouds.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het Huis met de Groene Lantaarn verwijst naar de reusachtige, groen beglaasde lantaarn aan de gevel van het pand aan de Herengracht 108, die er nog steeds hangt.

“Of beter gezegd: opnieuw. Drie jaar nadat ik in 1988 voor mezelf begon, ging het bedrijf helaas ter ziele. De groene lantaarn werd van de gevel van het WFC geschroefd en de laatste directeur nam hem mee naar huis, legde hem in zijn garage. Jaren later belde zijn weduwe me op: of ik interesse had in de lantaarn. De bijna tachtig kilo wegende kolos paste niet in mijn cabriolet. Dus ben ik met open dak van Amsterdam naar Baarn gereden. Ik heb de lantaarn opgeknapt en hem bij de vijver gehangen. Oud-collega’s die op bezoek kwamen waren met stomheid geslagen: dé lantaarn, bij mij in de achtertuin! Na een jaar of vijftien begon het icoon heftig te roesten, maar opnieuw opknappen was een kostbare affaire. Toevallig voer ik kort daarna met mijn sloep langs onze oude grachtenpanden. Aan de gevel, waarachter tegenwoordig veertien appartementen schuilgaan, hing een naargeestig, droevig klein lantaarntje. De verenging van eigenaren bleek Het Huis met de Groen Lantaarn te heten. Daarop heb ik een brief met een foto gestuurd, waarin ik de lantaarn voor niets aanbood onder de voorwaarde dat de vereniging hem zou opknappen en in ere herstellen. En zo geschiedde. Later werden mijn vrouw en ik uitgenodigd voor een bewonersreceptie ter gelegenheid van de feestelijke terugplaatsing. Daar liet ik vallen ooit een boek te willen schrijven over het bedrijf. Deze belofte heb ik waargemaakt. En de groene lantaarn? Die hangt weer in volle glorie te glimmen aan de gevel.”

‘Het Huis met de Groene Lantaarn – Opkomst en ondergang van een mode-imperium’, Jos Weijens, Brave New Books, via www.bol.com, €20,89 (franco huis) of bij de boekhandel onder ISBN: 9789402161717

Afbeeldingen: 1. Boekcover; 2 Advertentie Bleyle’s Knaben Anzüge; 3. Auteur Jos Weijens; ; 4 Herengracht 106-108-110 in 1969; 5 Pentekening W.G. Hofker.

Tentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopend

Elk jaar vindt na het beroemde Met Gala een tentoonstelling plaats in het Metropolitan Museum of Arts in New York met het thema van het gala. Dit keer ligt de focus op Comme des Garçons ontwerper Rei Kawakubo.

De tentoonstelling over de Japanse ontwerper onder de naam Rei ‘Kawakubo/Comme des Garçons: Art of the In-between’ toont werk in de avant-gardistische stijl waar Kawakubo bekend om staat. Al jaren wordt gedebatteerd of Comme des Garçons mode of kunst is, wat de naam ‘in between’ van de tentoonstelling verklaard.

De expositie is opgezet met 140 ontwerpen en op een manier waarop de tegenstelling in de collecties en het werk van Kawakubo duidelijk te zien zijn. Wel of geen design, wel of geen kleding, wel of geen mode. De items die getoond worden komen uit collecties vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw tot nu.

Het Met Gala is het bekende benefietgala in het Metropolitan Museum of Art in New York om geld op te halen voor het Costume Institute. Het gala wordt al sinds 1946 gehouden en heeft elk jaar een ander thema. Dit thema is altijd gelinkt aan een tentoonstelling in het Metropolitan Museum. Rei Kawakubo is de eerste levende ontwerper sinds Yves Saint Laurent in 1983 die geëerd wordt tijdens het evenement.

Tentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopendTentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopendTentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopend

De tentoonstelling is nog te zien tot 4 september dit jaar.

Foto: FashionUnited

Retrospectief Christian Dior deze zomer in Parijs

Musée des Arts Décoratifs in Parijs toont deze zomer een retrospectief van Christian Dior, ter ere van het 70-jarige jubileum van het Franse modehuis.

De tentoonstelling, die zes maanden loopt, genaamd ‘Christian Dior, Couturier du Rêve’, zal ontwerpen van niet alleen Monsieur Dior zelf tonen, maar ook van zijn opvolgers Yves Saint Laurent, Marc Bohan, Gianfranco Ferré, John Galliano, Raf Simons tot de huidige creatief directeur Maria Grazia Chiuri.

De expositie opent op 5 juli, tijdens haute couture week, en stelt 300 haute couture jurken tentoon die zijn ontworpen tussen 1947 en nu. Alle ontwerpen vieren de 70-jarige historie van het Franse couture huis. Daarnaast zal de tentoonstelling ook verder ingaan op het leven van Dior, van zijn jeugd in Granville tot het ontdekken van de avant-garde van Parijse kunst en het leren van ontwerp.

Retrospectief Christian Dior deze zomer in Parijs

Naast de jurken zullen honderden documenten zoals foto’s, illustraties, schetsen, reportage foto’s, brieven, manuscripten, advertenties, schilderijen en sculpturen te vinden zijn. Deze items moeten de nadruk leggen op de visie van Dior door verder in te gaan op de link die hij heeft gelegd tussen kunst en kleding. Ook is een groot assortiment aan tassen, schoenen, hoeden, juwelen en parfums te zien.

Hoogtepunten in de tentoonstelling zijn onder andere de spring/summer 1947 Dior collectie, de debutcollectie van Dior waar hij het vrouwelijk silhouette veranderde met zijn inmiddels beroemde ‘New Look’. Andere belangrijke kledingstukken zijn de rode Opera bouffe haute couture jurk uit de autumn/winter 1949 collectie en de gele satijnen Duchess jurk met print ontworpen door Raf Simons in 2012.

Retrospectief Christian Dior deze zomer in Parijs

De expositie is in chronologische volgorde opgezet. Beginnend met de gedachte achter de oprichting van het modehuis en het erfgoed van Dior door de eeuwen heen. Elke galerij toont de visie en creaties van een opvolger van Dior, zoals de minimalistische esthetiek van Raf Simons, de flamboyante Gianfranco Ferré, de punk mode van John Galliano en de toewijding van Maria Grazia Chiuri aan vrouwelijkheid.

Ook is een galerij samengesteld waar de evolutie van het modehuis te zien is sinds 1947, geïllustreerd door jurken en delen van films of beelden van modeshows.

De expositie eindigt in de balzaal met een presentatie van de meest herkenbare Christian Dior jurken, sommige daarvan gedragen door prinses Grace van Monaco, Lady Diana. Charlize Theron en Jennifer Lawrence.

Retrospectief Christian Dior deze zomer in Parijs

Het retrospectief is de eerste Parijse expositie gewijd aan Dior sinds 1987. Kledingstukken komen uit de collecties van Musée des Arts Décoratifs, de Franse unie voor Kostuum, het Palais Galliera, de Costume Institute van het Metropolitan Museum of Art in New York, het Victoria and Albert Museum in Londen, het De Young Museum in San Francisco, de Pierre Bergé-Yves Saint Laurent Foundation, Museum of Londen en Christian Dior of Granville. Daarnaast komen kunsten werken uit het Louvre, Musée d’Orsay, de Orangerie, Versailles, Centre Pompidou en verschillende privécollecties.

’Christian Dior, Couturier du Rêve is te bezoeken van 5 juli tot en met 7 januari 2018 in het Musée des Arts Décoratifs in Parijs.

Beeld: website Musée des Arts Décoratifs

Vertaling en bewerking: Caitlyn Terra

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

REPORTAGE Een knalroze, dertig meter lange loper wordt uitgerold bij de entree van Museum Volkenkunde in Leiden. De nieuwe tentoonstelling ‘Cool Japan’, over de wereldwijde fascinatie voor de Japanse beeldcultuur, is in alle opzichten over-the-top en dat wordt meteen bij aankomst duidelijk. Naast Pokémon, Hello Kitty, robots, samoerai en Japanse horror is er veel aandacht voor mode. FashionUnited kreeg een persoonlijke rondleiding langs de modehoogtepunten in de tentoonstelling door Daan Kok, conservator Japan& Korea bij Museum Volkenkunde.

Mangameisje meets courtisane

De blikvanger in de eerste zaal is een kimono met mangaprint van Matsuura Hiroyuki. Het betreft een yukata, een lichte kimono, oorspronkelijk bedoeld voor in het badhuis. Kunstenaar Hiroyuki staat erom bekend traditionele Japanse cultuuruitingen te combineren met de hedendaagse popcultuur. “Die mix van oud en nieuw is de rode draad in de tentoonstelling”, vertelt Kok. “Dat zie je terug in het kleurrijke campagnebeeld: een mangameisje met grote ogen gekleed als een courtisane in een klassieke kimono met haarspelden. De gouden achtergrond verwijst naar de kamerschermen die in de tentoonstelling te zien zijn.” Uit eigen collectie selecteerde het museum twee antieke kimono’s die vanwege de repetitieve patronen heel herkenbaar zijn voor Japan. De één met een swastika-patroon, een oud symbool van voorspoed dat je veel tegenkomt binnen het boeddhisme, de ander met een asanoah-patroon van gestileerde hennepbladeren. Kok: “Geloof me, als je deze dessins eenmaal gezien hebt, kom je ze overal tegen. Er is zelfs een Ikea-behang met een asanoah-motief!”

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Foto: Kirsten van Santen

De kimono als conversatiestuk

Met steun van het Mondriaanfonds kocht Museum Volkenkunde recent twee bijzondere kimono’s aan van de Kameroener Serge Mouangue, die opgroeide in Parijs en vijf jaar in Tokio woonde, waarvan er één wordt getoond. De traditionele stof, een kente-doek, liet Mouangue weven in de Ashante en Ewe-regio in Ghana en Togo. De kimono werd vervaardigd door kimonomakers in Kyoto. Van huis uit is Mouangue ontwerper van concept cars bij Nissan in Tokio, maar hij raakte geïntrigeerd door de Japanse cultuur waarin hij werd ondergedompeld. Zo kwam hij op het idee voor zijn merk Wafrica. ‘Wa’ is een oude benaming voor Japan. “Deze kimono is een sprankelend voorbeeld van hoe de Japanse beeldcultuur in allerlei variaties de hele wereld over gaat”, zegt Kok verguld. “Een enkele internationaal georiënteerde Japanner durft het aan om dit soort statementkimono’s te dragen.”

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Foto: Detail Wafrica kimono uit kente-doek, ontwerp Serge Mouangue (1973-), katoen, zijde (ceintuur), 2016

Van New York tot Tokio

Verderop is een ander mooi voorbeeld te zien van de globalisering van Japanse iconen: een jurk voorzien van een golfpatroon dat onmiskenbaar refereert aan de wereldberoemde Japanse prent ‘De grote golf bij Kanagawa’ van Katsushika Hokusai. Maar hoe Japans de jurk ook lijkt, hij is ontworpen door Alena Akhmadullina, een Russische ontwerpster van luxueuze damesmode. Het museum heeft hem dan weer in bruikleen van de New Yorkse blogger Tina Lee, die zichzelf in deze jurk fotografeerde voor haar blog over Asakusa, een wijk in Tokio. “Dit stuk toont aan dat de grote golf een beetje van iedereen is geworden”, concludeert Daan Kok. “Bijzonder is hoe het met zo’n omweg – via Rusland en New York – uiteindelijk weer in Japan terecht is gekomen.”

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Alena Akhmadullina, lente/zomer 2016. Foto: Donhoa Tran

Shoppen met museumbudget in Harajuku

Het pièce de résistance is de zaal met Kawaii straatmode, de ‘schattigheidscultuur’ uit Japan. “De Nederlandse journalist Kjeld Duits is goed bevriend met Kurebayashi Haruka, de bekendste fashionista uit Harajuku”, vertelt Kok. “Samen met haar zijn we in deze beroemde Tokiose wijk een middag gaan shoppen en daar heeft zij voor ons een outfit samengesteld. Deze samenwerking past bij onze visie van co-verzamelen.” De straatmode van Harajuku kent verschillende stijlen. Haruka is een aanhanger van het momenteel razend populaire Decora, wat staat voor veel neonkleuren en een overload aan haardecoraties. De oudere Lolita-stijl is inmiddels gemeengoed geworden, bewijst een eenvoudig jurkje uit China. “Maar denk nu niet dat twee op de drie meisjes er zo bij loopt in Tokio. Het gaat echt om een kleine subcultuur”, benadrukt Kok. “De impact is echter enorm doordat Haruka zo mediageniek is. Interessant genoeg is ongeveer negentig procent van haar volgers afkomstig van buiten Japan.”

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Foto: Kirsten van Santen

Breaking the rules: de punk van Japan

Enerzijds geniet de Harajuku-straatstijl veel waardering en zijn er kleurrijke fotoboeken van te koop in museumshops en kunstboekhandels, anderzijds heeft het een hoog kitschgehalte. “Maar vergeet niet dat alles worden gedragen vanuit een bepaalde filosofie”, zegt Kok. “Dit is begonnen als een echte punkbeweging. In de jaren zeventig kon je niet méér anti-establishment zijn dan door zulke vrolijke kleding aan te trekken waarmee je je aan geen enkele regel conformeert. Elke outfit wordt samengesteld volgens het principe van kōde, een verbastering van het Japanse woord voor coordination. Het is een tegenreactie op de gestandaardiseerde manier van kleden om maar niet op te vallen in de maatschappij. Uiteraard is het wel meer mainstream geworden doordat de straatstijlen veelvuldig zijn gepromoot in internationale magazines.”

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Rei Kawakubo, oprichter van Comme de Garçons, in haar ontwerpstudio in Aoyama, Tokyo, december 1983. Foto Paul van Riel

Kawakubo, Yamamoto en Miyake

Na al het kleurgeweld van de Japanse popcultuur kom je in de zaal Essentie even tot rust. Hier worden couturestukken uit de jaren tachtig getoond van drie vooruitstrevende Japanse ontwerpers: een trui met verschillende armsgaten van Rei Kawakubo (Comme des Garçons), een damespak dat half smoking, half colbert is van Yoji Yamamoto en een ensemble uit de bejubelde Pleats Please-collectie van Issey Miyake. Kok: “*Ook eenvoud en puurheid associëren we met Japan. De zentuin en theeceremonie worden er dan al snel bijgehaald. Deze creaties grijpen terug naar de essentie en laten in feite een eerdere versie van ‘cool Japan’ zien. We tonen daarnaast ook een outfit van de Belgische Ann Demeulemeester, die zich laat inspireren door het werk *van deze Japanse avant-garde-ontwerpers.” Dat in het Modemuseum Hasselt momenteel de tentoonstelling ‘Across Japan’ loopt, is toeval. Of misschien ook wel niet: de fascinatie voor Japan leeft wereldwijd en zeker ook bij onze zuiderburen.

Japanse mode: cool in de jaren tachtig én vandaag

Foto: Kirsten van Santen

De tentoonstelling ‘Cool Japan – Wereldwijde fascinatie in beeld’ is van 14 april tot en met 17 september 2017 te zien in Museum Volkenkunde in Leiden.

Homepage foto: Kirsten van Santen

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

REPORTAGE Acht jaar na de overzichtsexpo van het Belgische modehuis Maison Martin Margiela, zet het MoMu Antwerpen de creatieve en kundige ontwerper opnieuw in de kijker in de expo ‘Margiela, de Hermès jaren.

Martin Margiela studeerde af aan de Antwerpse Modeacademie in 1980 en ging kort daarna aan de slag bij de Franse ontwerper Gaultier. In 1989 besliste Martin om samen met Jenny Meirens zijn eigen modehuis Maison Martin Margiela (MMM) op te richten, totdat hij in 2009 zich in alle discretie terugtrok uit MMM. Naast zijn eigen modehuis besloot hij ook aan de slag te gaan bij het Franse modehuis Hermès van 1997 tot 2003. Hoewel de titel van de expositie alleen refereert naar zijn Hermès jaren, wordt in de expositie ook duidelijk de link gelegd naar zijn periode bij MMM. “De tentoonstelling is opgevat als een grote garderobe waarin de twee werelden van Martin Margiela met elkaar in dialoog gaan,” vertelt directeur Kaat Debo. Beide delen van de expositieruimte met een oranje gedeelte verwijzend naar Hermès en het wit gedeelte verwijzend naar MMM geven de dialoog vorm. Contrasterende kleuren op het eerste zicht, maar complementair bedoeld. “Martin heeft pas achteraf beseft hoe nauw verbonden de klassieke luxueuze wereld van Hermès en de moderne deconstructieve wereld van MMM waren.”

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

Van Maison Martin Margiela naar Hermès

In 1989 kondigde Martin Margiela via een onopvallende annonce in een Franse krant zijn eerste show aan voor zijn eigen modehuis MMM. De show ging niet onopgemerkt voorbij: gesluierde modellen, zeer smalle hoge schouders, onconventionele tabi laarzen met gescheiden teen die rode verfsporen achterlieten op de met katoen bedekte catwalk. Een ongewone voor aanwezigen, Margiela leek de je-m’en-foutist te zijn van de modewereld. Terwijl andere ontwerpers bezig waren met hun persoonlijkheidscultus in de jaren ’90, bleef Martin Margiela incognito. Hij groette zijn publiek niet op de catwalk, er circuleerden geen foto’s van hem rond, interviews werden beantwoord per fax in de eerste persoon meervoud uit eerbied voor het hele team achter zijn MMM. Evenmin was hij een merkenfetisjist met zijn iconische naamloze witte katoenen labels. Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie' Ook zijn verscheidenheid van natuurlijke modellen op de catwalk was ongewoon, maar wel verademend. Karaktervolle vrouwen van verschillende leeftijden van 25 tot 65 jaar met verschillende lichaamstypes werden gezocht voor zijn defilés onder vrienden en kennissen en via street castings. “Hij ontwierp niet voor een geïdealiseerd lichaam, maar voor echte vrouwen. Zijn collecties vertrokken dan ook vanuit het comfort van de vrouw. Door veel vragen te stellen aan zijn modellen, kon hij achterhalen hoe zijn kleren zaten. Martin Margiela gaf zijn modellen een goed gevoel, overlaadde hen met complimenten en liet hen zelfs op de tonen van Les Compliments, een soundscape waarin woorden van lof voor de vrouw werden ingesproken door een sensuele mannenstem, de catwalk oplopen.” Complimenten waar we mee van mochten proeven bij het betreden van de exporuimte.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

Een van die modellen was de dochter van de toenmalige directeur van het Parijse modehuis Hermès, Jean-Louis Dumas. Zij was dan ook degene die zorgde voor de eerste contacten tussen Martin Margiela en Hermès. Op het eerste zicht lijkt de klassieke élégance van Hermès zich niet te kunnen verzoenen met de deconstructieve benadering van Martin Margiela’s MMM, maar Margiela bewees dat zijn ideeën traditie en innovatie konden verzoenen met elkaar. De veelkleurige en bedrukte collecties waarmee Hermès geassocieerd werd, ruilde Martin in voor monochrome en ingetogen collecties. De eerste tentoongestelde silhouet van Martin Margiela voor Hermès uit 1998, een traditionele mantel in kameelhaar zonder zichtbare nepen, werd parallel geplaatst naast één van de eerste outfits van MMM met contrasterende kleuren en zichtbare nepen.

De zoektocht naar een andere beeldtaal

Geïnspireerd door deconstructieve ontwerpers zoals Rei Kawakubo van Comme des Garçons, introduceerde Margiela de radicale ideeën van het deconstructivisme in Europa. Hij keerde kleren binnenstebuiten, zette ‘afgewerkte’ collecties in elkaar die ‘onafgewerkt’ leken met ruwe stiksels, opvallende naden, zichtbare nepen,…. Martin Margiela was fundamenteel geweest bij het zoeken naar een andere beeldtaal, een andere wijze van representeren van mode. Het was alleszins niet de bedoeling tabula rasa te maken. Indrukwekkend was het recht dat hij zich toe-eigende om in alle vrijheid zijn eigen koers te varen, waarvan de uitingen van zijn ideeën een continuüm vormden doorheen zijn periode bij het Maison en Hermès.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

Het experimenteren met de vareuse, een kledingstuk met diepe V-hals combineerde hij met zichtbare nepen ter hoogte van de borststreek bij MMM. Een subtiel detail om zijn collecties meer diepgang te geven. De vareuse kon bij de mouwen om de heupen geknoopd worden en had aparte zakken die geïnspireerd waren op zadeltassen van paarden. Margiela perfectioneerde de vareuse voor Hermès als tuniek, trui of jasje zonder zichtbare nepen en met afneembare zakken. Ook zijn voorliefde voor de klassieke icons uit de Westerse herengarderobe was zichtbaar in zijn werk met verschillende variaties van het witte overhemd, het kostuumvest, de smoking, de trenchcoat en de caban voor de vrouw die pasten binnen de krijtlijnen van Hermès en het Maison. Voor Hermès experimenteerde Margiela met verschillende draagwijzen van klassiekers vb. een trenchcoat die als jurk kon gedragen worden, klassiek met de armen in de mouwen of buiten de mouwen. Bij MMM ging hij deconstructief te werk met gewassen, afgeknipte, overschilderde, diep uitgesneden silhouetten en het gebruik van ongewone materialen zoals gekleurde ijsblokjes die vlekken achterlieten.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

De ontwikkeling van een eigen vocabulaire

“De boodschappen van Margiela’s modeshows waren moeilijk communiceerbaar op de catwalk.” Zijn kleren zagen er eenvoudig uit, maar er schuilde meer achter dan oppervlakkig scheen. Extra kanttekeningen op de catwalk waren nodig om zijn collecties te begrijpen. Martin Margiela was heel taalgevoelig en goochelde dan ook graag met nieuwe woorden om zijn ideeën en concepten te verduidelijken. “Twee mantels portés par deux, de trikini – een driedelige badpak, double tour sandalen of de waterafstotende en kreukvrije anti-pluie om overdag te dragen over de lederen jas en ’s en ’s avonds kon getransformeerd worden tot peignoir du soir.”

De naden en stiksels van de anti-pluie en peignoir du soir werden bij Hermès zoveel mogelijk verborgen, terwijl Margiela voor MMM de technieken van de kleermaker uit de truukendoos haalde met zichtbare nepen en naden, ruwe stiksels, voeringstof aan de buitenkant,… als ode aan het eindeloze ‘work in progress’ (Kaat Debo, 2008). Margiela had gekozen om het moeilijke te doen, en niet de makkelijke weg te kiezen, waardoor zijn experimenten bijdroegen aan de kennis van het vakmanschap. Innovaties als naadloze voeringen, een draad met een geheugen die vervorming van tricot voorkomt, of een kasjmieren draad met het uitzicht van shetlandwol voor Hermès werden opgenomen in verschillende outfits in de expo. “Zijn vernieuwingen zorgden niet voor een revolutie, maar wel voor een evolutie met het verbeteren van bestaande technieken.” Voor MMM bleef hij de deconstructieve toer opgaan met bijvoorbeeld oversizend truien met destroy-sluiting van grote met de hand aangenaaide drukknopen, vleermuismouwen en levensechte reproducties van poppenkleren met disproporties van details. Zijn vooruitstrevendheid hielp hem om het onmogelijke mogelijk te maken. De wollen ‘punk’ trui die door de papierversnipperaar lijkt gehaald te zijn, was hier een mooi voorbeeld van. Niet breidgoedfabrikanten, maar wel Martin’s moeder durfde het aan om de trui met vele gaten te breien.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

Hermès Heritage

Het middengedeelte van de expositie schenkt ook speciale aandacht aan de respect die Martin toont voor het Hermès erfgoed. In tegenstelling tot wat vele journalisten van hem hadden verwacht, ging hij niet aan de slag met de iconische Kelly handtas of de zijden carré sjaals. Toch zorgde hij er op een subtiele manier voor dat de Hermès heritage niet verloren ging. Zo zagen we vb. de iconische sleutelbeschermer aan de Kelly handtas uitvergroot als clochette halssnoer. De vier gaten van de opvallende juweelknoppen werden ingeruild voor zes gaten, waarin het garen de letter H vormde. De handgerolde zoom van de Hermès sjaaltjes zagen we terug in de afwerking van blouses en tunieken. Een eenvoudiger logo van Hermès uit de jaren ’70 werd van onder het stof gehaald voor de klerencollectie en hij ontwikkelde nieuwe ruitvormige monochrome losanges als antwoord op de iconische veelkleurige, bedrukte sjaals van Hermès.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

De slow fashion van Martin Margiela

“Voor Martin Margiela duidde luxe niet op het gebruik van kostbare stoffen en de perfecte afwerking, maar wel op de geïnvesteerde uren in een stuk. Zijn collecties waren dus slow fashion in een tijd dat het begrip nog niet gangbaar was. ” Hij ging niet alleen op zoek naar vernieuwende technieken, maar hij had ook oog voor methoden uit het verleden. De Replica stukken van MMM waren exacte kopieën van vintage stukken die volgens hem niet verbeterd konden worden. Ook experimenteerde hij met oud leder en andere recycleerbare materialen voor zijn eigen artisanale collectie. Spraakmakende voorbeelden hiervan in de expo waren een pruik gemaakt met delen van een vintage bontmantel en pumps beplakt met fragile-tape. Op het einde van de expositie zien we ook vintage parelkettingen verwerkt tot een jasje en een avondjurk gemaakt uit drie vintage bruidsjurken. Bij Hermès kwam het retro-idee indirect aan bod en werd het vertaald naar een modern en functioneel kledingstuk zoals de lederen handschoenen gedragen met een lange oberschort, de mof als handtas of stola met opgezette zakken. Succesvolle stukken werden bovendien verschillende seizoen herhaald, soms in nieuwe materies of varianten.

Martin Margiela voor Hermès: 'Zijn vernieuwingen zorgden voor een evolutie'

Door gangbare zekerheden in de modewereld in vraag te stellen, maar niet openlijk te bekritiseren slaagde Martin Margiela erin zijn creatieve grenzen continue te verleggen, oog te hebben voor verleden en heden, voor continuïteit en vernieuwing binnen Maison Martin Margiela en Hermès en blijft hij tot op vandaag menig ontwerper inspireren.

‘Margiela, de Hermès jaren’ loopt van 31 maart tot 27 augustus in het ModeMuseum van Antwerpen

Beeld: Christin Ho

Museumprijs 2017 in teken van design en mode

Dit jaar is ‘Design & Mode’ het thema van de BankGiro Loterij Museumprijs. Drie musea zijn genomineerd voor de prijs: Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het TextielMuseum in Tilburg en Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch. De winnaar ontvangt een bedrag van 100.000 euro ter besteding van zijn ‘museumdroom’. Deze ‘droom’ is van tevoren ingediend.

Het is de tiende keer dat de publieksprijs wordt uitgereikt. De BankGiro Loterij Museumprijs is dit jaar bestemd voor het museum dat er het beste in slaagt zijn eigen collectie design en/of mode voor een breed publiek te presenteren. De drie genomineerden zijn door een vakjury geselecteerd. Het publiek kan tussen 27 maart en 30 april zijn stem uitbrengen via de website van de Museumprijs. Het museum met de meeste stemmen mag zich een jaar lang ‘Museum van het Jaar’ noemen.

Het vernieuwen van het TextielLab, dat recentelijk nog het Predikaat Hofleverancier ontving, is de grote droom van Textielmuseum Tilburg. Errol van de Werdt, directeur TextielMuseum Tilburg: “Als we winnen, gebruiken we het geld om onze toekomstvisie te realiseren: Het museum zijn waar je als bezoeker binnen komt en als maker weg gaat! We hebben de wens het geld te investeren in een weefmachine waarop je als bezoeker een theedoek naar eigen ontwerp kan uitwerken: ‘personal fabrication’.”

Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch wil het geld besteden aan de tentoonstelling over Jean Cocteau in 2018. Timo de Rijk, directeur Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch: “Ons museum heeft een kleine collectie van de Franse multi-kunstenaar. Jean Cocteau was als surrealistisch schilder en tekenaar actief en onder invloed van zijn goede vriend Pablo Picasso ging hij ook werken met keramiek en sieraden. Vooral dit laatste aspect willen we naar voren halen in de tentoonstelling, die we zonder het prijzengeld niet zouden kunnen realiseren.”

Museum Boijmans Van Beuningen is van plan om het bedrag te besteden aan ‘een of meerdere aankopen op het gebied van hedendaags design’. “Het doel wordt nader bepaald als de prijs is gevallen en is geënt op het expositiebeleid van het museum,” aldus directeur Sjarel Ex.

Ieder jaar staat een andere categorie centraal bij de Museumprijs. Eerdere winnaars zijn: Nationaal Monument Kamp Vught (2016), Fries Museum in Leeuwarden (2015), Klok & Peel Museum Asten (2014) en Joods Historisch Museum in Amsterdam (2013). De Museumprijs wordt sinds 1990 uitgereikt en is een initiatief van het Prins Bernhard Cultuurfonds en de BankGiro Loterij, in samenwerking met de Museumvereniging.

Op donderdag 11 mei wordt de winnaar van de BankGiro Loterij Museumprijs 2017 bekendgemaakt.

Beeld: The Future of Fashion is Now, 2014, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Fotograaf: Aad Hoogendoorn

De hoed ís koningin Beatrix

REPORTAGE Wat voor hoed zou prinses Beatrix dragen? Het is de grote vraag bij de feestelijke opening van de tentoonstelling ‘Chapeaux! de hoeden van Koningin Beatrix’ in museum Paleis het Loo. De genodigden hebben het subtiele hoedje op de uitnodiging aangegrepen om zich stijlvol uit te dossen met hoeden en fascinators. Als prinses Beatrix arriveert is de verrassing groot dat zij ervoor heeft gekozen om géén hoed te dragen. “De afwezigheid van een hoed is altijd betekenisvol”, stelt Ineke Sluiter, hoogleraar Griekse Taal en Letterkunde aan de Universiteit Leiden. “Bij rampzalige gebeurtenissen bijvoorbeeld, wanneer het staatshoofd komt toegesneld om een troostende rol te vervullen, blijft de hoed thuis. Vandaag getuigt het achterwege laten van de hoed van een tikje opstandigheid – een eigenschap waar prinses Beatrix om bekend staat.”

De hoed als substituut voor de kroon

Vorstinnen en hoeden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een hoed vormt de finishing touch van de koninklijke garderobe. “It’s part of the uniform”, antwoordde koningin Elisabeth II ooit toen haar werd gevraagd of ze graag hoeden draagt. Samen met de Britse koningin wordt koningin Beatrix gezien als een iconische koninklijke hoedendraagster. De hoed staat symbool voor haar dertigjarig koningschap. Je zou haast kunnen zeggen: de hoed ís koningin Beatrix. Van 1980 tot 2013 droeg zij er honderden bij speciale gelegenheden: tijdens staatsbezoeken, ontvangsten, ontelbare openingen en prijsuitreikingen, op Prinsjesdag en Koninginnedag. De hoed hoort bij het verwachtingspatroon: het is iets waar mensen naar uitkijken.

De hoed ís koningin Beatrix

Altijd herkenbaar in de menigte

Vanzelfsprekend moet een koninklijke hoed aan bepaalde eisen voldoen. Zo mag de hoed beslist niet afwaaien. Vandaar dat Koningin Beatrix in veel van haar hoeden een hoedenspeld draagt. Enkelen zijn familiebezit: ze werden ook gedragen door koninginnen Emma en Wilhelmina. Verder mag de hoed niet extravagant zijn, dat zou afleiden van de persoon en de gelegenheid – al zijn er op de tentoonstelling wel degelijk een paar hoeden te zien met extravagante versieringen. Daarnaast moet het gezicht herkenbaar blijven en is zichtbaarheid belangrijk: de hoed moet meteen opvallen in de menigte: “Kijk, daar is de koningin!” Tot slot moet de hoed rondom perfect zijn uitgevoerd, want hij wordt immers van alle kanten bekeken en gefotografeerd.

Gevoel voor verhoudingen

Het vertrouwde silhouet van onze voormalige koningin is het resultaat van een jarenlange samenwerking met couturiers en hoedenmakers. In de tentoonstelling staan creaties van hoedenmakers Harry Scheltens, Emy Bloemheuvel en Suzanne Moulijn centraal. De koningin, een niet onverdienstelijk beeldhouwster, heeft zelf ook een artistiek oog. “In koningin Beatrix heb ik vanaf het begin vermoed dat zij in lijnen denkt”, zei haar voormalig couturier Theresia Vreugdenhil. “Dat moest zich in haar kleding weerspiegelen.” Hoedenmaker Harry Scheltens: “Ze heeft een enorm gevoel voor verhoudingen, of wat je noemt een echt timmermansoog. Zij heeft eerder dan ik in de gaten dat er met een hoed iets niet helemaal in orde is.”

De hoed ís koningin Beatrix

Het herkenbare Beatrix-silhouet

Vormgevers Maarten Spruyt en Tsur Reshef hebben bij het ontwerp van de tentoonstelling niet gekeken naar de functie van de hoed of de chronologie, maar naar het visuele plaatje. In de strak ingerichte zalen staan de hoeden centraal. Voor de presentatie ontwikkelden ze speciale hoedenstandaards met het Beatrix-silhouet, zowel voor- en achteraanzicht als en-profiel, in meerdere formaten. “Want de manier waarop de hoed is gepositioneerd op de vorm van haar kapsel is zeer bepalend.” Daarnaast reageerden ze op de collectie die bewaard is gebleven. “De hoeden van sisal en sinamay zijn in de meerderheid: aan deze lichte materialen gaf koningin Beatrix de voorkeur. Veel zwaardere vilten hoeden uit de beginperiode zijn er niet meer.”

De hoed ís koningin Beatrix

Sculpturale ‘hat cakes’

Helaas worden er nergens jaartallen en makers vermeld. Dit vanwege het feit dat veel hoeden opnieuw zijn gedragen, waarbij de oorspronkelijke modellen werden aangepast. Hierdoor is het moeilijk te zien hoe de hoedenstijl van koningin Beatrix is geëvolueerd. Toch laten de foto’s en filmbeelden van gelegenheden waarop ze zijn gedragen een ontwikkeling zien: vanaf 1986 worden de modellen groter en eigenzinniger. Die vernieuwing is nooit meer gestopt. Veel hoeden zijn sculpturaal of zelfs architecturaal, zoals die met gestapelde randen of meerdere bolle lagen – de zogenaamde ‘hat cakes’ – of met een extreem grote bol. Koningin Beatrix ontwikkelde een compleet eigen hoedentaal. Een opstaande rand bleek een succes omdat haar gezicht zo goed te zien was: van dit type hoed zijn dan ook vele varianten gemaakt.

Wellicht de meest onverwachte hoed in de collectie is een surprise die koningin Beatrix ooit met Sinterklaas van haar drie zoons kreeg. Een vilten hoedje bekleed met crêpepapier, versierd met pijpenragers en kippengaasvoile in de kleuren van het koninklijk huis. Het principe van hoedenmaken – een mal waar de vorm overheen wordt gemodelleerd – is kinderlijk eenvoudig. Maar het vervaardigen van een hoofddeksel met koninklijke klasse vereist vakmanschap.

De tentoonstelling ‘Chapeaux! de hoeden van koningin Beatrix’ is nog tot en met 27 augustus te zien in museum Paleis het Loo.

Beeld: Homepage foto door: F. van Beek. Foto 2 + 4: T. Haartsen, Foto 3: PPE