(advertentie)
(advertentie)
In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Het centrum voor Mode en Kant in Calais, Frankrijk heeft een retrospectief geopend over Hubert de Givenchy, gecureerd door de 90-jarige modeontwerper, met outfits gedragen door Audrey Hepburn, voormalig presidentsvrouw Jackie Kennedy en de Hertogin van Windsor, Wallis Simpson.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

De tentoonstelling is onderdeel van het cultuurprogramma voor 2017 van het museum en toont tachtig outfits met accessoires die verkregen zijn dankzij privéverzamelaars, de archieven van Maison de Givenchy en museumcollecties, waaronder stukken uit de eigen collectie van het centrum voor Mode en Kant.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Elk stuk in de tentoonstelling, die tot 31 december loopt, is gekozen en gecureerd door Givenchy zelf, om op deze manier de gehele carrière van de couturier te laten zien met daarbij de ontmoetingen die speciaal zijn in zijn leven en zijn ontwerpen hebben vormgegeven.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

De focus ligt onder andere op de vrouwen die zijn collectie droegen waaronder actrice Audrey Hepburn, met een aantal vitrines die op haar toegespitst zijn met de jurken die de actrice droeg in twee van haar grootste films, Breakfast at Tiffany’s en How to Steal a Million.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Museum of Lace and Fashion opens Givenchy exhibition

Ook zijn jurken te zien die zijn gedragen door anderen in zijn beroemde clientèle zoals Jackie Kennedy’s geborduurde jurk en opera jas die ze droeg tijdens haar eerste bezoek aan Frankrijk als presidentsvrouw en de outfit die de Hertogin van Windsor droeg tijdens de begrafenis van haar man, evenals items gedragen door gravin Isabelle de Borchgrave d’Altena, de Hertogin van Cadaval en de Markiezin van Llanzol.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Tijdens de opening prees Hubert de Givenchy zijn klanten. “Ze waren mijn vrienden. De perfecte jurk kan alles mogelijk maken in het leven van een vrouw. Het kan geluk brengen. Het is zo fijn om geluk te kunnen geven aan je vrienden,” aldus de ontwerper tegen The Guardian.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Andere belangrijke items zijn de ‘Bettina’ blouse uit zijn eerste collectie in februari 1952, met pofmouwen en zwarte borduursels, een aantal baljurken met kanten borduursels, een rode satijnen jurk en jas en een broekpak met borduursels.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

De outfits zijn tentoongesteld naast stukken couture stof, parfums van Givenchy en foto’s die een inzicht geven in de carrière en inspiratie van Givenchy.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Het centrum voor Mode en Kant is gevestigd in een oude negentiende eeuwse kantfabriek en toont het werk van couturiers en bekende jongen ontwerpers zoals Cristóbal Balenciaga, Anne Valérie Hash en Iris van Herpen.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

De Hubert de Givenchy tentoonstelling is te bezoeken tot en met 31 december 2017 in het Centrum voor Mode en Kant in Calais.

In Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstellingIn Beeld: Hubert de Givenchy’s gelijknamige tentoonstelling

Foto’s: Centrum voor Mode en Kant

Google richt zich op het archiveren van mode in het nieuwste project We Wear Culture. Voor het project werkt het technologiebedrijf samen met onder andere het Modemuseum in Antwerpen en de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten uit België.

Het digitale archief is tot stand gekomen dankzij een samenwerking tussen Google en 180 instellingen op het gebied van mode. Deze instellingen variëren van musea tot academies. In totaal zijn nu 30.000 kledingstukken gearchiveerd. We Wear Culture is onderdeel van het Arts & Culture platform van Google dat al sinds 2011 bestaat.

Het concept heeft weg van het Nederlandse concept Modemuze en Europeana Fashion, beide initiatieven om de collecties van musea en privé-eigenaren te kunnen tonen aan de wereld. We Wear Culture heeft echter nog extra features. Zo zijn er tot nu toe 450 tentoonstellingen samengesteld, zijn video’s te vinden op het platform en kunnen kledingstukken tot in detail bekeken worden. Het MoMu heeft bijvoorbeeld 6 tentoonstellingen via het platform met onder andere het verhaal van kant en 15 jaar Belgische mode.

Mireille Kniese en Ryan Oosterling winnen Joke Veeze Award 2017

Dit jaar zijn er twee winnaars gekozen voor de Joke Veeze Award 2017. De jonge fotografen Mireille Kniese uit Leiden en Ryan Oosterling uit Amsterdam werden afgelopen weekend uitgeroepen tot winnaars.

Aan de modefotoprijs is een bedrag van 2.000 euro per winnaar verbonden. Deelnemers kregen de opdracht om voor een avantgardistisch modemagazine een serie van minimaal 2 en maximaal 5 modefoto’s te maken, met als thema ‘Dare to be different’.

Mireille Kniese en Ryan Oosterling winnen Joke Veeze Award 2017

Opvallend is dat er dit jaar meer dan een winnaar is. “De prijswinnende series zijn verschillend in toon en uitvoering, maar hebben een grote overeenkomst in het onderwerp: de transformatie van negatief naar positief, van depressie naar optimisme, van ellende naar euforie. Natuurlijk speelt de mode een rol, maar er gebeurt zoveel meer,” legt de jury uit.

Het werk van Mireille Kniese is geïnspireerd op de film Amélie van de Franse regisseur Jean-Pierre Jeunet. Deze leed tijdens het maken van de film aan depressies en toch was het een hele optimistische film. De serie van Ryan Oosterling is heel anders van toon, maar ook hij heeft zich laten inspireren door een ander. “In dit geval een vrouw die een moeilijke start in het leven heeft gehad, maar ondanks alle ellende daar sterker uit tevoorschijn komt,” aldus de jury.

Mireille Kniese en Ryan Oosterling winnen Joke Veeze Award 2017

De modeprijs is een initiatief van de Joke Veeze Foundation en kent een jaarlijks wisselende invulling: ontwerp, fotografie, styling of blogging. Dit jaar is de modeprijs gericht op jonge fotografen, waaronder zowel studenten van modeacademies, fotoacademies, fotografieopleidingen en kunstacademies als recent afgestudeerden.

De jury bestond dit jaar uit modefotograaf Rohn Meijer, modestylist Frans Ankoné en galeriehouder Eduard Planting (tevens hoofdcurator van het FotoFestival Naarden). Het ingezonden werk van de tien genomineerden is nog tot en met 18 juni te zien tijdens het FotoFestival Naarden.

Beeld: Joke Veeze Award

Ontwerpersduo Puck & Hans inspireert nog altijd

REPORTAGEDe spectaculaire etalages van modeduo Puck Kroon (1941) en Hans Kemmink (1947), beter bekend als Puck & Hans, waren in de jaren ’70, ’80 en ’90 een begrip. In hun boetieks in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam verkochten ze naast hun eigen collectie ook andere merken.

Minstens tweemaal per jaar stond de winkel aan het Rokin volledig op zijn kop. Andere kleuren, andere inrichting. “Ik fietste er ’s nachts na uit het uitgaan speciaal langs om de items van Jean-Paul Gaultier en natuurlijk hun eigen label te bewonderen”, herinnert stylist Maarten Spruyt zich. Ook mensen die zich de kleding niet konden veroorloven vergaapten zich aan de uitbundige decorstukken en excentrieke etalagepoppen. “O, maar zo duur waren we niet hoor”, zegt Puck tijdens de perspreview van de overzichtstentoonstelling ‘Puck & Hans – couture locale’ in het Amsterdam Museum. “Omgerekend zeker niet: veel klanten doen al ruim veertig jaar met onze kleding.”

Ontwerpersduo Puck & Hans inspireert nog altijd

Feest van herkenning

En dat blijkt wel, want aan de oproep om een ‘original Puck & Hans’ op te sturen voor de tentoonstelling gaven ruim 250 liefhebbers gehoor. Zelf had het echtpaar, dat in 1998 definitief stopte met hun modemerk en alle winkels sloot, nog maar enkele stukken in hun bezit. Dus zijn ze stad en land afgereisd om de kledingstukken opnieuw te verzamelen bij particulieren. Uiteindelijk werden er zo’n 1500 items ingebracht. Een deel daarvan is opgenomen in de collectie van het Amsterdam Museum, gedocumenteerd met vele verhalen van Puck en Hans zelf en van oud-klanten. Maarten Spruyt vervulde een dubbelrol: hij trad op als gastcurator én vormgever van de tentoonstelling. Een logische combinatie, gezien zijn stylingachtergrond. Samen met fashionconsultant Frans Ankoné stond hij voor de lastige taak om uit al die stukken een keuze te maken. “Onze objectieve blik was belangrijk bij de selectie, want zelf zijn Puck en Hans uiteraard bij elk shortje emotioneel betrokken. Ook voor hen was het een feest van herkenning om al die ontwerpen na zoveel jaren terug te zien.”

Ontwerpersduo Puck & Hans inspireert nog altijd

Speelse route langs terugkerende thema’s

Van sommige stukken waren de mode-iconen het bestaan zelf al bijna vergeten. “Goh, hadden we dat jurkje ook in die stof gemaakt? Dat wist ik echt niet meer,” zegt Hans. De audiotour werd door hen zelf ingesproken en ook twintig voormalige klanten komen aan het woord. Maar hoe persoonlijk ook, nostalgisch is de tentoonstelling niet. Dat komt doordat Spruyt zich de vrijheid veroorloofde om stukken uit verschillende collecties en seizoenen te combineren in één set. Hierdoor oogt het totaalbeeld modern en fris, en is de route die door de verschillende zalen voert niet chronologisch. In plaats daarvan wandel je als bezoeker langs terugkerende thema’s in het werk van Puck & Hans zoals ‘Waterlelies’, ‘Sexy zwart’ en ‘Birds of paradise’. De speelse houdingen van de poppen refereren naar de etaleerkunsten van het modeduo. Opvallend is dat veel ontwerpen zo weer in het huidige modebeeld passen. “Kennelijk zijn het uiteindelijk toch allemaal klassieke kledingstukken die we maakten, hoe uitbundig ook”, zegt Hans, die voor de gelegenheid gekleed is in een kleurrijk panteroverhemd van Dries van Noten.

Ontwerpersduo Puck & Hans inspireert nog altijd

Nog één kenmerkende Puck & Hans-etalage

Voor de etalage van hun eerste winkel in Den Haag naaiden Puck en Hans levensgrote lappenpoppen – geld voor etalagefiguren hadden ze niet. Deze poppen werden speciaal voor de tentoonstelling nagemaakt. Eén daarvan is gekleed in een Chinese rode kamerjas en zweeft in lotushouding boven zijn stoel. “Kijk, de anderen zijn al opgestegen”, wijst Hans omhoog, zichtbaar geamuseerd door deze spirituele kwinkslag. Plezier in mode hebben de ontwerpers nog altijd. Het Amsterdam Museum nodigde hen uit om nog één keer een iconische etalage te realiseren. Dit keer niet op het Rokin, maar in het museum, in de historische kamer van het voormalige Burgerweeshuis waar vroeger de Amsterdamse regenten vergaderden. Als thema kozen zij voor ‘Het laatste avondmaal’. De twee centrale figuren zijn onmiskenbaar een jonge Puck en Hans: zij met een grote bos blonde krullen, hij had vroeger ravenzwart haar. Bij de styling kwam het perfectionisme van Hans om de hoek kijken. Meerdere malen werden de poppen uitgekleed omdat het toch anders moest. Puck op haar beurt – naar eigen zeggen ‘geboren met naald en draad in de hand’ – werkte maanden aan het tafelkleed, waarop ze alle namen borduurde van iedereen die aan de tentoonstelling heeft meegewerkt. Het resultaat is een overtuigende installatie die bewijst dat de twee oudgedienden het vak nog niet zijn verleerd.

Ontwerpersduo Puck & Hans inspireert nog altijd

De tentoonstelling ‘Puck & Hans – couture locale’ is van 9 juni tot en met 3 september 2017 te zien in het Amsterdam Museum.

Beelden:
Homepage foto: door Carmen Kemmink
Foto 1: Puck & Hans etalage, collectie zomer 1987
Foto 2: Jubilee Collection Puck & Hans, Westergasfabriek, 1993
Foto 3: Marc de Groot, ELLE, 1993
Foto 4: Puck & Hans door fotograaf Carmen Kemmink, 2017

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’ REPORTAGE

Als je geen zin hebt, moet je zin maken. Dat is een van de befaamde uitspraken van Clemens Rameckers (1949) en Arnold van Geuns (1949), beter bekend als het ontwerpersduo Ravage. Museum Arnhem wijdt een grote overzichtstentoonstelling aan de ontwerpers, die in ruim 40 jaar in het vak zitten. Daarmee keren de ontwerpers terug naar de stad Arnhem, waar hun loopbaan ooit begon.

Hoewel de meesten nog nooit van Rameckers en Van Geuns hebben gehoord, zijn de heren wereldberoemd in de wereld van de internationale mode, design en autonome kunst. In 1972 studeerden beide ontwerpers af aan de modeafdeling van ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem. Samen startten ze Ravage; de naam is een samentrekking van hun achternamen. Enkele jaren runden ze een modewinkel slash galerie in Arnhem, waar ze iedere maand een andere ontwerper uitnodigden. Daarna vertrokken ze naar Parijs. De Parijse dynamiek inspireerde het nog jonge Ravage en zorgde ervoor dat ze hun eigen signatuur en werkwijze konden ontwikkelen.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Samen met Lidewij Edelkoort richtten zij in 1985 het trend forecasting bureau TrendUnion op. Zij deed de vrouwenmodetrends en het duo maakte de trendboeken voor herenmode. Er werd besloten om Edelkoort op de voorgrond te zetten, terwijl Rameckers en Van Geuns op de achtergrond bleven. Ze wonen sinds 2003 in Château d’Écrainville Normandië , waar ze in alle rust vanuit hun chateau werken. Voor grote opdrachtgevers, van wie ze geen namen noemen. Gedurende hun carrière hebben ze een geheel eigen plek in de wereld van de internationale mode, design en autonome kunst verworven.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Het handschrift, beeldtaal en proces van Ravage zijn zeer authentiek en binnen de (internationale) vormgevingswereld met weinig anderen te vergelijken. Het signatuur is uitgesproken barok, het kan niet krullerig en weelderig genoeg zijn. Rameckers en Van Geuns vinden inspiratie in keizerlijke dynastieën en historische figuren, wat zij vertalen naar patronen, prints en illustraties op servies, meubels, kleding en andere gebruiksvoorwerpen. In hun ontwerpen, veelal in zwart wit met ondersteunende kleuren, is echter geen spoortje nostalgie te vinden. Eerder licht cynisch, met een subtiele kritiek naar de maatschappij.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Museum Arnhem presenteert overzichtstentoonstelling ontwerpersduo Ravage

De zin van het ontwerpen weerspiegelt in de hele tentoonstelling. Rode draad voor opzet is ‘de tekening’. Elk product - een tafel, keramiek, mode, behang, shawls, hotel, tekening en dan weer een schilderij - begon ooit als een schets op papier. Voor Rameckers en Van Geuns is de schets de basis van een concept. “Het gaat ons niet om de uitkomsten, maar om het proces. Zodra je het weet is er niets meer aan,” aldus het duo. “Een musicus oefent zijn toonladders, een danser traint zijn spieren, verbeelding is ook een spier die je moet trainen." Daarom maakt het duo ook dagelijks minstens één tekening.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

De tentoonstelling begint na een introductie met een zaal vol drukke prints, zowel op de muren en in een geplaatste kubus waar bezoekers in kunnen lopen. Ook zijn er druk beschilderde vazen te zien. De opvolgende zaal is een lust voor het oog met een zogeheten vierluik; vier ´ingerichte kamers’ waar verschillende objecten van Ravage samen een blik geven in het rijke en veelzijdige oeuvre van het duo. Een van de settings is het nagebootste atelier uit Château d’Écrainville. “We zijn met een vrachtwagen naar Normandië gereden en hebben daar een deel van het atelier ingeladen,” vertelt Lenn Cox, projectleider van de tentoonstelling in Museum Arnhem.

Naast het ontwerpen van mode, gebruiksvoorwerpen en het voorspellen van trends ontwierp het duo ook bedrijfsuniformen. Het voor het grote publiek onbekende duo bedacht bedrijfsuniformen voor grote bedrijven, die inmiddels een iconische status hebben. Denk bijvoorbeeld aan de roodbruine postbode-uniformen van de PTT, de geel-blauwe pakken van de NS medewerkers, en de uniformen voor de ANWB Wegenwacht. Samen met Liesbeth in ‘t Hout werkten zij 15 jaar aan vernieuwende bedrijfskleding.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Ontwerpersduo Ravage keert terug naar Arnhem voor overzichtstentoonstelling

De opbouw van de multidisciplinaire tentoonstelling is thematisch: van eigen werk, samenwerkingen tot bedrijfskleding en een college van krantenberichten die als een tijdlijn fungeert. Opvallend is de drukke en rijke inrichting in de eerste zalen. “Daar hebben we bewust voor gekozen. Hun werk is ook enorm veel, het is echt een ‘overload aan Ravage’,” vertelt Cox. “Op deze manier krijgen de bezoekers een soort van ‘deken over zich heen’ en maken ze meteen kennis met de rijke wereld van deze ontwerpers.”

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Naarmate de zalen volgen wordt de inrichting steeds rustiger en minimalistischer. Dat is een verwijzing naar hun loopbaan, waarbij de geschiedenis omgekeerd uitgerold wordt. De heren begonnen immers in Arnhem, vanuit een spierwitte flat in Presikhaaf. “Ze wilden eigenlijk niet herinnerd worden aan die witte klinische flat,” lacht Cox. “Ze vonden dat eigenlijk niets, want ‘ze waren niet voor niets vertrokken naar Parijs’. Ik wilde dat er eigenlijk wel in.” De ontwerpers hebben zelf meegedacht in de opzet van de tentoonstelling. De laatste zaal is een ‘kapel’ is geplaatst die verwijst naar het kleinere kapel in het chateau van de heren zelf. Speciaal voor de tentoonstelling heeft Van Geuns weken gewerkt aan de schilderingen van de kapel. In de ruimte kan de bezoeker tevens uitkijken over het groene rivierenlandschap van de Rijn, die zich uitstrekt achter het museum. “Een moment van bezinning en rust,” legt Cox uit.

Ontwerpersduo Ravage: Acht zalen vol ‘zin’

Uit de hele tentoonstelling spreekt de autonomie en creativiteit van de heren. “Ze zeiden zelf: de zin die zij ervaren in alles wat ze doen - of het nu het maken van een vaas is of een trendboek of meubel - doen ze voor zichzelf. Ze willen dit nu eindelijk ook delen, zodat men de zin zelf ook ervaart en zin krijgt om ook zelf aan de slag te gaan,” aldus de projectleider.

De eerste bezoekers zijn duidelijk onder de indruk van de drukke barokke stijl, vol krullen en tierelantijnen. In de kleinste zaal -niet meer dan een kamer- kunnen bezoekers zelf een ‘trendblad’ maken met papier, linten, stiften en stickers. Er wordt nog niet druk geknutseld, maar het eerste trendblad wordt opgerold en in de tas gestopt. “Die ga ik straks thuis maken,” glimlacht de bezoekster.

De tentoonstelling ‘Ravage. Spelenderwijs | Mode, Kunst, Design’ is van 27 mei tot en met 15 oktober te zien in Museum Arnhem.

Beeld: Erwin Olaf, San Mingh, Bastiaan van den Berg

Dit zijn de grootste modemuzes uit de klassieke literatuur

Voor iedereen die zegt dat mode triviaal of frivool is, het gewicht van de mode in de literatuur mag niet onderschat worden. Ik heb onlangs het Franco-Ierse Literaire Festival bezocht waar journalisten van Vogue en Elle discussieerden met schrijvers en scriptschrijvers over het belang van kleding in storytelling. Kleding versterkt karakters, zorgt dat we ons kunnen verplaatsen in iemand anders, waardoor we in vreemde landschappen kunnen dwalen. Een onderschrijver van dit effect, Mark Twain zei: “Kleren maken de man. Naakte mensen hebben weinig tot geen invloed op de maatschappij.’ Laten we eens de de zeven belangrijkste momenten wanneer fictie en mode met elkaar in aanraking kwamen aftellen.

7. Giacomo Leopardi

In Giacomo Leopardi’s gedicht genaamd A Dialogue Between Fashion and Death, onderzoekt hij de vergankelijkheid van de mode en parallellen met onze eigen sterfelijkheid: “Mode: Herken je mij niet meer? Dood: Je moet weten dat ik slecht zie en geen bril op heb. Mode: Ik ben Mode, je zuster. Herinner je niet meer dat we allebei geboren zijn op de dag van Verval? We profiteren gelijk van de verandering en verwoesting van dingen, ook al doe jij dat op een manier, ik op de ander.”

Mode wordt getoond als een soort Magere Hein die ons overlijden in gang zet, en alhoewel het is geschreven in 1824, het sentiment is toepasbaar op de huidige omgeving van fast fashion met catastrofes zoals Rana PLaza en op de luxe industrie waar ontwerpers zoals Alexander McQueen, van wie het werk gevierd wordt vanwege de donkere en mooie dans met dood, stierf door zelfdoding op 40-jarige leeftijd.

Dit zijn de grootste modemuzes uit de klassieke literatuur

Foto:Orlando First Edition, The Hogarth Press 1928 bron: www.smith.edu/libraries, and Burberry September 2016

6. Virginia Woolf

“Kleding heeft meerdere doelen naast ons warm houden; ze veranderen de manier waarop we de wereld zien en hoe de wereld ons ziet”, schreef Virgina Woolf in Orlando, het verhaal uit 1928 over een edelman die door de tijd kan reizen, moeiteloos wisselt van sekse, gekleed gaat in bont en kant zonder ooit ouder te worden. De film uit 1992 toonde de androgyne favoriet in de mode, Tilda Swinton, in de titelrol van de parmante heer Quentin Crisp en als Koninging Elizabeth de eerste. Woolf’s boek was een hedendaags succes ondanks het ongewone onderwerp voor een vrouwelijke schrijver, maar de aantrekkingskracht van het verhaal zet nu de toon voor het gender non-conformisme van deze tijd. Van Bloomsbury naar Burberry, zei Christopher Bailey over zijn September 2016 modeshow.

Dit zijn de grootste modemuzes uit de klassieke literatuur

Foto: Bron Wikimedia Library of Congress, Photographer, Napoleon Sarony, 1882

5. Oscar Wilde

Oscar Wilde, de dandy en een eeuwigdurende favoriet van mode ontwerpers, was de belangrijkste invloed op Alexander McQueens mannencollectie van de herfst van 2017. Wilde’s woorden “Mode is een vorm van lelijkheid zo ondragelijk dat we het elke zes maanden moeten aanpassen’ voorzag al de social media-hongerige consument van vandaag die meer dan ooit vraagt om nieuwigheid. Als redacteur van een modeblad, genaamd The Woman’s World, voorspelde hij in 1887 dat de kledingstijl van beide seksen zouden versmelten doordat vrouwen hun mannelijke stijl zouden omarmen. Zijn hoeden met een brede randen, lange lokken en fluweel trokken evenveel aandacht als zijn boeken en toneelstukken, maar zijn gedartel in de demimonde van mannelijke lust, natuurlijk destijds niet bespreekbaar, belandde hem in de gevangenis van Reading. Toch gaf hij stijl nooit op: “Als iemand zich slecht gedraagt, moet iemand dat doen in goede kleding.” Woorden om te onthouden.

4. Margaret Mitchell

In het boek van Margaret Mitchell uit 1936 Gone With The Wind, is Scarlett O’Hara’s lifestyle in het Zuiden van de Confederatie is onder aanval van de dreigende vrijheid van de slaven op haar plantage. Maar onze sympathie ligt bij dit arme rijkeluis meisje wanneer ze haar weinige bronnen moet leegtrekken en een jurk moet maken van… gordijnen. Hoe moet ze anders haar held voor zich winnen, en zijn geld dat hij met zich meebrengt. Wie heeft niet voor zijn kast gestaan op een zaterdagavond en gewenst dat dergelijke inspiratie naar boven kwam? Wanneer ze zich richt naar haar bediende en zegt: “Ga naar de zolder en haal mijn doos met patronen, Mama… ik heb zo een nieuwe jurk,” komt misschien haar bevoorrechte positie iets naar boven, maar in deze tijden van fast fashion stortplaatsen kunnen we het haar niet kwalijk nemen dat ze iets een nieuw doel geeft, ook bekend als upcycling.

3. Bret Easton Ellis

Deze passage uit de bestseller American Psycho van Bret Easton, die draait om een discussie tussen de band U2 en de verteller, de gemiddelde seriemoordenaar en een date laat ons nadenken over de gepassioneerde relatie van de yup uit de 1980’s en Italiaanse mode.

” The Edge draagt Armani,” roept ze terwijl ze naar de bassist wijst. “Dat is niet Armani,” roep ik terug. “Het is Emporio.” “Nee,” roept ze. “Armani.” “De grijstinten zijn te gedempt net als de taupe-kleuren en blauwtinten. Gedefinieerde revers, subtiele ruit, polka dots en strepen zijn Armani. Niet Emporio,” roep ik, extreem geïrriteerd dat ze dit niet weet, niet het verschil kan zien, terwijl ik mijn oren bedek. “Er is een verschil.”

Nou ze gaat zeker op het hakblok. Kun je je voorstellen dat je het verschil tussen Armani’s extra lijn en zijn prima linea niet begrijpt.

Dit zijn de grootste modemuzes uit de klassieke literatuur

Foto: Audrey Hepburn in Breakfast at Tiffany's. Trailer screenshot

2. Truman Capote

Truman Capote’s 1958 novella Breakfast at Tiffany’s lanceerde de geliefde Holly Golighty de modewereld in. De industrie denkt dat ze een product is van het atelier van Hubert de Givenchy, de ontwerper met de taak om actrice Audrey Hepburn te kleden voor de filmversie, maar zijn werk was al bijna klaar als we kijken naar Capote’s teksten:

“Het was een warme avond, bijna zomer, en ze droeg een slanke zwarte jurk, zwarte sandalen en een choker van parels. Voor haar chique dunheid had ze een lucht van gezondheid die doet denken aan ontbijtgranen, een kuisheid van zeep en citroen met een roze gloed die haar wangen kleur gaf.” Golightly’s stadse en nachtelijke allure is een go-to referentie geweest voor ontwerpers sinds die tijd en heeft onze gehechtheid aan de little black dress versterkt.

Dit zijn de grootste modemuzes uit de klassieke literatuur

Foto: Miss Havisham: Wikimedia By Harry Furniss from the library edition of Great Expectations, created 31 December 1909.

1. Charles Dickens

Het ultieme huwelijk van mode en fictie brengt ons weer waar we begonnen: Mode = Verval = Dood. Ik refereer naar de grand dame van de Victoriaanse klassiekers, het spookachtige van een oude vrijster; bitter, skeletachtige en weggestopt in haar kamer naast een rottende taart, Charles Dickens’ Miss Havisham uit Great Expectations. De passages beschrijven haar terwijl ze opgaat in vlammen en representeren mogelijk de meest visueel interessante beelden die het hoofd van een jong meisje kunnen binnendringen, ze zijn zeker krachtiger dan elk voorbeeld van special effects in Hollywood, maar het zijn de woorden die gebruikt worden om de eerste ontmoeting van Pip met haar te beschrijven die ontwerpers decennialang hebben geïnspireerd. Het is makkelijk om te zien waarom:

” Ze was gekleed in rijke materialen - satijn, kant en zijde - allemaal wit. Haar schoenen waren wit. En ze had een lange witte sluier in haar haar, bruidsbloemen in haar haar, maar haar haar was wit. Juwelen schitterde om haar nek en handen, andere juwelen lagen op de tafel. Jurken, minder uitgebreid dan degene die ze droeg, en half ingepakte koffer lagen overal. Ze was nog niet klaar met zich aankleden, ze had maar een schoen aan - de ander was op de tafel vlakbij haar hand - haar sluier zat niet goed, haar horloge en ketting en armband had ze niet om, en het kant dat voor haar boezem moest lag bij de kleine spulletjes en haar zakdoek, en handschoenen, en wat bloemen en een klein gebedenboek, allemaal rommelig rondom een vergrootglas.

Ik zag deze dingen niet in de eerste momenten, maar ik zag meer dan waarschijnlijk de bedoeling was. Maar ik zag dat alles binnen mijn zichtveld dat wit moest zijn, niet wit meer was en zijn glans had verloren, was vervaagd en geel was gekleurd. Ik zag dat de bruid in de bruidsjurk verwilderd was zoals de jurk en de bloemen en ze had helderheid meer behalve de helderheid in haar verzonken ogen. Ik zag dat de jurk aan was gedaan op een rond figuur van een jonge vrouw en dat het figuur waar het nu op hing was gekrompen tot huid en bot.”

Homepage foto via Wikimedia of Oscar Wilde: Unknown photographer, Held at British Library, 1875-1905 and Alexander McQueen Menswear Fall 2017

Door gastredacteur Jackie Mallon, die les geeft aan de faculteit van diverse modeprogramma’s in New York en de schrijfster is van ‘Silk for the Feed Dogs’, een roman die zich afspeelt in de internationale mode-industrie.

Kijken: Tentoonstelling Just Married

De bruidsjurk, voor veel vrouwen een van de hoogtepunten van hun trouwdag. Door de jaren heen is echter veel veranderd in de bruidsmode. Waarom is een bruidsjurk tegenwoordig vaak wit? Waarom wordt een sluier gedragen en welke parels van ontwerpen zijn de laatste eeuwen gemaakt? Tentoonstelling 'Just Married, een geschiedenis van het huwelijk' toont jurken en accessoires vanaf de 18e eeuw tot nu. Van modehuis Natan tot Yves Saint Laurent en onbekende kleermakers die hun inspiratie haalden uit de ontwerpen van onder andere Schiaparelli.

De tentoonstelling is nog tot 3 september 2017 te zien in het Museum Kant en Kostuum in Brussel. Hieronder een impressie van de tentoonstelling.

Trouwjurk Yves Saint Laurent, 1985

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Strapless bruidsjapon uit 1954

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Bruidsjapon uit 1948, geïnspireerd op het werk van Schiaparelli

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Weelderige jurk met korset en hoofdtooi

Kijken: Tentoonstelling Just Married

Beeld: © Museum voor Kostuum en Kant / Eric Danhier

Kijken: Tentoonstelling Just Married In mei besteedt FashionUnited aandacht aan het thema bruidsmode. Voor alle reads over bruidsmode, klik hier.
Textielmuseum in Tilburg wint Museumprijs 2017

De winnaar van de Museumprijs 2017 is bekend: het Textielmuseum in Tilburg. Het museum mag zichzelf ‘Museum van het jaar 2017’ noemen en wint een bedrag van 100.000 euro. Met het geldbedrag zal het Textielmuseum haar -vooraf ingediende- museumdroom realiseren: de aanschaf van een weefmachine waarop bezoekers een theedoek naar eigen ontwerp kunnen uitwerken.

Errol van de Werdt, directeur Textielmuseum Tilburg, zegt in een reactie: “We zijn ontzettend trots dat we onszelf vanaf nu ‘Museum van het Jaar 2017’ mogen noemen en we onze museumdroom kunnen realiseren. De mooiste ervaring van de afgelopen weken is dat ik heb kunnen zien dat iedereen in het museum zich vol overgave heeft ingezet om deze prijs te winnen. We gebruiken het gewonnen bedrag om de bezoeker een totaalbeleving te bieden en onze twee werelden van werkplaats en museum nog beter met elkaar te verbinden: we willen een nieuwe publieksvriendelijke weefmachine aanschaffen, zodat de bezoeker een theedoek naar eigen ontwerp kan maken. Je komt ons museum binnen als bezoeker en gaat er uit als maker!”

Textielmuseum in Tilburg wint Museumprijs 2017

Naast het Textielmuseum waren ook Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch genomineerd. TextielMuseum Tilburg kreeg 32.115 stemmen (39,7 procent). Nog nooit eerder haalde een museum zoveel stemmen. De twee andere genomineerden, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch kregen respectievelijk 28.008 (34,6 procent) en 20.807 (25,7 procent) van de stemmen. Er werden 80.930 stemmen uitgebracht op de drie musea samen.

TextielMuseum Tilburg stond de gehele stemperiode aan kop, dankzij een actieve campagne om te stemmen via social media. In de laatste week maakte het museum nog een eindspurt. Met het bezoek van de koninklijke familie aan Tilburg had het museum nog een extra troef in handen: een dag na Koningsdag hingen de mantel en japon van Koningin Máxima al in het museum.

Beeld: Roy Beusker Fotografie

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

INTERVIEW Het Huis met de Groene Lantaarn: de naam zal bij de jonge generatie niet direct en belletje doen rinkelen. Toch was dit ooit het grootste import- en agenturenmodebedrijf van Nederland. ‘Het Huis’ vertegenwoordigde commerciële Duitse topmerken waaronder Bleyle, dertig jaar geleden een wereldfirma gespecialiseerd in tricot. Auteur Jos Weijens werkte bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn en schreef een boek over de opkomst en ondergang van het mode-imperium. De schrijver heeft een vlotte pen: hij voert zijn lezers mee naar een andere tijd, al is de tone-of-voice niet nostalgisch. FashionUnited belde de auteur op voor een gesprek.

U bent een laatbloeier. Op 75-jarige leeftijd ontdekte u de liefde voor het schrijven.

“Dat klopt. Ik ben een watersporter, schrijven doe ik dan ook vooral in de wintermaanden. Hiervoor heb ik twee boeken uitgebracht en ik had ontzettend veel zin om weer een boek te schrijven. Aangezien ik bijna twintig jaar bij Het Huis met de Groene Lantaarn heb gewerkt, kon ik putten uit een schat aan verhalen en herinneringen.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Heeft u veel vooronderzoek verricht?

“Zelf ben ik in 1969 bij Het Huis komen werken, het bedrijf werd opgericht in 1949. De ontstaansgeschiedenis ken ik dus alleen van horen zeggen. Daarom sprak ik veelvuldig met oud-collega’s en mijn secretaresse, die de laatste acht jaar mijn steun en toeverlaat was. Zij brachten me weer in contact met medewerkers die er daarvóór hadden gewerkt. Een aantal van hen is inmiddels de tachtig gepasseerd en moest in hun geheugen graven. Grappig genoeg kwamen de herinneringen vrij snel weer boven: na een paar dagen belden ze me terug met hele verhalen. De gebeurtenissen zijn grotendeels authentiek, aangevuld met mijn eigen voorstellingsvermogen.”

Kort na de Tweede Wereldoorlog had Hans Poelmann (1921-1992) het lef had om nota bene Duitse modeartikelen te verkopen. Het sentiment voor producten uit het land van de voormalige bezetter was in die tijd uiterst negatief. Hoe reageerde het Nederlandse modepubliek?

“In het begin niet erg positief. Maar de omstandigheid dat er weinig goederen te koop waren, hielp een handje. Hoewel wij het thuis bepaald niet slecht hadden, droeg ik schoenen van mijn zus. Niet omdat mijn ouders geen geld hadden voor een nieuw paar, maar omdat er geen kwalitatief goede schoenen in de winkels lagen. In 1949 waren er bijna geen merkartikelen te koop. Wel lokaal geproduceerde kleding, gemaakt van stoffen die eerst een andere bestemming hadden. Het Duitse Bleyle was een groot bedrijf met de knowhow en financiële middelen om flink uit te pakken. Op het gebied van kwaliteit dan, het woord mode kwam nog niet in hun woordenboek voor. De mensen voor wie Bleyle een begrip was, waren bereid een flinke duit voor de kleding te betalen. Maar er waren ook mensen die beslist geen Duitse mode wilden dragen. Wie een ‘Duitse Volkswagen’ reed werd met de nek aangekeken. Mijn vaders Ford Prefect viel van ellende bijna uit elkaar, maar een Volkswagen aanschaffen? Dan ging hij nog liever met de fiets.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat kunnen we leren van Poelmann over ondernemerschap in de mode?

“Dat je als leverancier niet te ‘hongerig’ moet zijn, maar kieskeurig aan wie je wel en niet levert. Dat is iets wat meneer Poelmann vanaf het begin heel goed heeft aangepakt. Hij was kritisch, zelfs lastig naar klanten toe. In ruil voor exclusiviteit in een bepaalde stad of provincie werden zij geacht flinke orders te schrijven. Het Huis met de Groene Lantaarn was één van de eerste modebedrijven dat een computer installeerde. Dat gaf een hoop problemen, klanten vonden het werken met girobetaalkaarten maar een gedoe. Maar Poelmann had overal een oplossing voor en was zijn tijd altijd net vooruit. Verstand van mode had hij echter niet, dat moet ik er wel bij zeggen. Daar had hij zijn personeel voor.”

Het eerste deel is geschreven vanuit het gezichtspunt van meneer Poelmann. Vanaf het tweede deel wordt het verhaal verder vertelt door uw ogen. Maakte dit het schrijven makkelijker?

“Ja, hier kon ik vanuit mijn gevoel schrijven, over mijn eigen stommiteiten en capaciteiten. Het tweede deel is daarmee ook persoonlijker. Het begint met de slepende sollicitatieprocedure die vooraf ging aan mijn twintigjarig dienstverband. Ik heb drie keer gesolliciteerd voordat ik werd aangenomen. Sindsdien heb ik veel kansen gekregen en benut. Ik ben binnengekomen als leerling-verkoper en weggegaan als verkoopleider. Er was ook ruimte om te groeien: een vertegenwoordiger boven mij doorliep dezelfde stappen. Telkens als hij promoveerde naar een groter rayon, kreeg ik zijn functie. Een beetje voorspelbaar, al ging het uiteraard niet vanzelf. Toen ik daarna voor mezelf begon, had ik veel profijt van alles wat ik had geleerd en heb een redelijk succesvol eigen bedrijf gerund dat ik op mijn 61e heb verkocht.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Wat voor werkgever was meneer Poelmann?

“Een uitstekende. Hij zorgde goed voor zijn medewerkers omdat ze hard voor hem werkten. Als broekie van achtentwintig reed ik in een Mercedes, dat was in 1969 iets bijzonders. Maar, er werd wel wat geëist. Iedereen moest naar zijn pijpen dansen en de bedrijfscultuur was nogal hiërarchisch. Persoonlijk had ik daar geen moeite mee, maar er waren collega’s die na twee jaar opgebrand het pand verlieten. Bij klanten had meneer Poelmann niet de allerbeste naam. Tact kwam in zijn woordenboek niet voor. Hij beweerde soms de gekste dingen, maar dat werd geaccepteerd. Hij voerde precies de merken die je moest hebben, wilde je meetellen in de modewereld. Het bedrijf verdiende er goed aan. Er werd voor tonnen per jaar geadverteerd. Uiteraard middels zijn eigen reclamebureau.”

Een markante gebeurtenis in het boek is de verhuizing van de chique Herengracht naar het Confectie Centrum, nu het World Fashion Centre. Wat voor impact had dat?

“Rond 1977 was het tijdperk van confectie aan de gracht over. Wij waren als enige overgebleven en werkten nu ook met tussencollecties. Het werd steeds moeilijker om klanten later in het seizoen nogmaals zover te krijgen om naar de grachtengordel te komen. Toen heeft mijn baas de hele eerste verdieping van de derde toren in het confectiecentrum afgehuurd. De verhuizing was een aderlating, want er waren tonnen gestoken in het verbouwen van de panden aan de Herengracht 106, 108 en 110. Gewend aan de allure van de grachten vonden wij het confectiecentrum minnetjes, maar het was wel veel makkelijker voor klanten met zoveel bedrijven onder één dak.”

Vergeleken met de snelheid van de mode-industrie nu, was de confectie-industrie veertig jaar geleden een andere wereld.

“Onze dochter is mode-inkoopster bij een van de grootste moderetailers van het land en als ik haar verhalen hoor is er veel veranderd. Merken komen tegenwoordig elke zes weken met een nieuw programma, een tempo om nerveus van te worden. Hoe anders was dat in mijn tijd. Twee keer per jaar kwam er een collectie uit die klanten in de showroom inkochten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en dat ging een paar maanden zo door. Daarna was het seizoen afgelopen. Onze doelgroep bestond uit prachtige bedrijven zoals Maison de Bonneterie, Schunk en Stoutenbeek, om er maar enkele te noemen, die hebben het om wat voor reden dan ook niet kunnen bolwerken.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het boek schetst een realistisch beeld van de harde maar ontzettend leuke modewereld. Zo ook van uw voormalige werkgever. Was u niet bang voor de reacties?

“Toen het boek af was dacht ik: zouden de nakomelingen van meneer Poelmann het wel kunnen waarderen? Maar mijn redacteur verzekerde mij ervan dat je na het lezen van het boek alleen maar respect krijgt voor die man. Toen ik het opnieuw las dacht ik: ja, hij heeft gelijk. Het was niet mijn intentie om een standbeeld voor hem op te richten, dat gebeurde onbewust.”

En hoe reageerden oud-collega’s?

“Aanvankelijk waren ze wat huiverig om mee te werken, maar ze vinden het fantastisch om te lezen. Omdat het bedrijf al lang niet meer bestaat, was er veel weggezakt. Door dit boek komt het allemaal weer boven. Onze baas was zelden tevreden, maar op de één of andere manier schiep dat een band onder zijn werknemers. We hebben ontzettend hard gewerkt maar ook verschrikkelijk gelachen. Een gewoonte in die tijd was dat alle sollicitatiebrieven naar een zekere professor Margadant uit Den Haag gingen, een autoriteit op het gebied van psychologisch onderzoek naar handschriften. Als gevolg daarvan hadden we allemaal hetzelfde sausje over ons karakter. Wanneer ik oud-collega’s aan de telefoon spreek die ik die ik twintig jaar niet heb gezien, voelt het al na drie minuten weer als vanouds.”

Kroniek van een naoorlogs Amsterdams mode-imperium

Het Huis met de Groene Lantaarn verwijst naar de reusachtige, groen beglaasde lantaarn aan de gevel van het pand aan de Herengracht 108, die er nog steeds hangt.

“Of beter gezegd: opnieuw. Drie jaar nadat ik in 1988 voor mezelf begon, ging het bedrijf helaas ter ziele. De groene lantaarn werd van de gevel van het WFC geschroefd en de laatste directeur nam hem mee naar huis, legde hem in zijn garage. Jaren later belde zijn weduwe me op: of ik interesse had in de lantaarn. De bijna tachtig kilo wegende kolos paste niet in mijn cabriolet. Dus ben ik met open dak van Amsterdam naar Baarn gereden. Ik heb de lantaarn opgeknapt en hem bij de vijver gehangen. Oud-collega’s die op bezoek kwamen waren met stomheid geslagen: dé lantaarn, bij mij in de achtertuin! Na een jaar of vijftien begon het icoon heftig te roesten, maar opnieuw opknappen was een kostbare affaire. Toevallig voer ik kort daarna met mijn sloep langs onze oude grachtenpanden. Aan de gevel, waarachter tegenwoordig veertien appartementen schuilgaan, hing een naargeestig, droevig klein lantaarntje. De verenging van eigenaren bleek Het Huis met de Groen Lantaarn te heten. Daarop heb ik een brief met een foto gestuurd, waarin ik de lantaarn voor niets aanbood onder de voorwaarde dat de vereniging hem zou opknappen en in ere herstellen. En zo geschiedde. Later werden mijn vrouw en ik uitgenodigd voor een bewonersreceptie ter gelegenheid van de feestelijke terugplaatsing. Daar liet ik vallen ooit een boek te willen schrijven over het bedrijf. Deze belofte heb ik waargemaakt. En de groene lantaarn? Die hangt weer in volle glorie te glimmen aan de gevel.”

‘Het Huis met de Groene Lantaarn – Opkomst en ondergang van een mode-imperium’, Jos Weijens, Brave New Books, via www.bol.com, €20,89 (franco huis) of bij de boekhandel onder ISBN: 9789402161717

Afbeeldingen: 1. Boekcover; 2 Advertentie Bleyle’s Knaben Anzüge; 3. Auteur Jos Weijens; ; 4 Herengracht 106-108-110 in 1969; 5 Pentekening W.G. Hofker.

Tentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopend

Elk jaar vindt na het beroemde Met Gala een tentoonstelling plaats in het Metropolitan Museum of Arts in New York met het thema van het gala. Dit keer ligt de focus op Comme des Garçons ontwerper Rei Kawakubo.

De tentoonstelling over de Japanse ontwerper onder de naam Rei ‘Kawakubo/Comme des Garçons: Art of the In-between’ toont werk in de avant-gardistische stijl waar Kawakubo bekend om staat. Al jaren wordt gedebatteerd of Comme des Garçons mode of kunst is, wat de naam ‘in between’ van de tentoonstelling verklaard.

De expositie is opgezet met 140 ontwerpen en op een manier waarop de tegenstelling in de collecties en het werk van Kawakubo duidelijk te zien zijn. Wel of geen design, wel of geen kleding, wel of geen mode. De items die getoond worden komen uit collecties vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw tot nu.

Het Met Gala is het bekende benefietgala in het Metropolitan Museum of Art in New York om geld op te halen voor het Costume Institute. Het gala wordt al sinds 1946 gehouden en heeft elk jaar een ander thema. Dit thema is altijd gelinkt aan een tentoonstelling in het Metropolitan Museum. Rei Kawakubo is de eerste levende ontwerper sinds Yves Saint Laurent in 1983 die geëerd wordt tijdens het evenement.

Tentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopendTentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopendTentoonstelling over Comme des Garçons’ Rei Kawakubo geopend

De tentoonstelling is nog te zien tot 4 september dit jaar.

Foto: FashionUnited