• Home
  • Nieuws
  • Achtergrond
  • Hoe (niet) duurzaam is de modebranche?

Hoe (niet) duurzaam is de modebranche?

Door Esmee Blaazer

bezig met laden...

Achtergrond |Long read

Beeld ter illustratie van mode. Credit: H&M

Mode en ‘duurzaam’ gaan eigenlijk niet samen. Een kledingstuk wordt doorgaans zo gemaakt dat het snel ‘uit’ de mode is. In de modeindustrie is er niet alleen sprake van stilistische veroudering, maar ook van technische veroudering. Sommige kleding is van zo’n lage kwaliteit dat het na een paar draag- en wasbeurten scheurt, pluist of zijn kleur verliest.

Dit wordt planned obsolescence genoemd. In de jaren 20 ontstond het concept van ‘geplande veroudering’. “Fabrikanten experimenteerden met manieren om de levensduur van producten te beperken en zo de vraag naar nieuwe producten te stimuleren. De strategie werd bijvoorbeeld toegepast op gloeilampen en later op elektronica, huishoudapparatuur, auto’s, smartphones en ook kleding,” verduidelijkt de Belgische duurzaamheidsexpert Jasmien Wynants in de gastbijdrage ‘Duurzaamheid verduidelijkt: Waarom iedereen het over de circulaire economie heeft als oplossing’

Ideaal voor modebedrijven, die wel varen op de verkoop van nieuwe kledingstukken, maar niet voor duurzaamheid.

Het antwoord op de vraag hoe duurzaam de modeindustrie is, luidt dan ook: nog weinig/nog niet erg.

In de kledingindustrie gaat profit (lees: winst) doorgaans voor people en planet, ofwel mens en milieu.

De Belgische journalist Sarah Vandoorne, gespecialiseerd in duurzamere mode, verwoordde het als volgt in de inleiding van haar onlangs verschenen boek ‘Kleerkastvasten, de textielketen ontrafeld’ : “Dag in dag uit trekken we kledingstukken aan. Ze maken deel uit van onze identiteit, ze laten ons goed voelen over onszelf. Tegelijkertijd werken miljoenen mensen zich voor een hongerloon uit de naad om ons te kleden, en helpt de modeindustrie, en passant, ook nog eens onze planeet om zeep.”

Sarah Vandoorne (1991) is een Belgische freelance (onderzoeks)journalist. Ze schrijft sinds 2015 over de textielindustrie en duurzamere mode.

Vandoorne reisde de afgelopen jaren onder meer naar Bangladesh (waar ze fabrieken bezocht waar textielarbeiders onze kledingstukken in elkaar zetten), Indonesië (waar ze een door textielverven vervuilde Citarum rivier aanschouwde) en Ghana (waar ze een van de grootste tweedehands markten ter wereld en een met kleding vervuild strand bezocht).

Haar opgedane kennis en ervaringen pende ze neer. In haar boek ‘Kleerkastvasten’ kun je per schakel van de textielketen lezen hoe de industrie opereert, en dus wat er mis is, of in ieder geval beter zou kunnen. Ook bekijkt ze oplossingen voor het verduurzamen van de industrie.

We lichten het in dit achtergrondstuk aan je toe.

Klik op de pijltjes in de tekst voor meer informatie.

Inhoud

  1. De hoeveelheid kleding die wordt geproduceerd verdient een aparte vermelding
  2. Hoe de productie van nieuwe kleding het milieu schaadt
  3. Impact van de kledingindustrie op de mens
  4. Positieve noot: duurzaamheid staat hoger op de agenda (+ de wetgeving die eraan komt)

1. De hoeveelheid

Er wordt te veel kleding gemaakt & overproductie is de standaard

Als het gaat om duurzaamheid is een van de grootste problemen in de sector dat er simpelweg te veel kleding wordt geproduceerd. “Op de ‘hoeveelheid’ zijn veel problemen van de sector terug te voeren,” vertelt auteur Vandoorne tijdens een video call.

Tegenwoordig is er een constant nieuw aanbod van collecties en trends. De meeste kledingmerken maken ten minste twee tot vier collecties per jaar en er zijn luxemerken die wel tien nieuwe collecties per jaar maken. Fast fashion bedrijven zoals de Spaanse winkelketen Zara of de Britse online gigant Asos vernieuwen hun assortiment nog veel vaker. Jaarlijks worden tussen de 100 tot 150 miljard kledingstukken geproduceerd.

Een gigantische hoeveelheid. Het Parool schreef recent dat als we per direct zouden stoppen met de productie van kleding, we nog veertig jaar voort zouden kunnen met alle kledingstukken die er al zijn.

De modebranche is een competitieve markt. Bedrijven proberen op te vallen en klanten aan te trekken door nieuwe collecties en stijlen uit te brengen.

Kledingmerken gokken als het ware op collecties en stijlen. Ver voordat de collecties in de winkelschappen liggen, moeten de productieorders voor massaproductie al door worden gegeven. En daarvóór moeten de collecties al zijn verkocht aan winkeliers en dus ook helemaal zijn ontworpen. Kledingmerken weten op dat moment nog niet welke items (maanden)

Voor traditioneel opererende modebedrijven kan het zo 9 tot 12 maanden duren om een product van de tekentafel in het winkelrek te krijgen.

In dit artikel kun je er meer over lezen: De toeleveringsketen in de modebranche en betrokken spelers

later in trek zullen zijn bij de consument.

Modebedrijven willen voldoende voorraad hebben om geen verkopen mis te lopen. Om die reden is overproductie in de modesector de standaard. Bedrijven produceren meer kleding dan er vraag is - en zal worden verkocht. “In feite bestellen bedrijven gewoon te veel bij fabrikanten,” verduidelijkte onderzoeksjournalist Emy Demkes.

Hoge volumes leiden doorgaans tot lagere productieprijzen en dat werkt ook weer overproductie in de hand.

“Ordergrootte is een beslissende factor als het gaat om prijs,” legde kledingfabrikant Workingmenblues eerder uit aan FashionUnited. “Hoe groter de order, hoe meer je kan onderhandelen over een lagere prijs.”

Lees hier meer: Zo komt een collectie van een kledingmerk tot stand

En laat een lage prijs nou net een van de belangrijkste dingen zijn voor de meeste modebedrijven (zie kader hieronder). Op die manier kunnen kledingmerken het voor een zo laag mogelijke prijs in de markt zetten (lees: aanbieden aan de consument) en is er een goede winstmarge (het bedrag dat zij verdienen bij de verkoop van het kledingstuk).

Uiteindelijk draait het in de modebranche om geld verdienen. Onafhankelijk mode-onderzoeker Natascha van der Velden zei recent tegen Trouw dat het in de modeindustrie, uitzondering daargelaten, ‘alleen draait om groei van omzet en winst’.

In de modebranche concurreren bedrijven op ‘nieuwigheden’, maar ook op prijs

Prijsconcurrentie is al decennia aan de gang. Onze kleding is steeds goedkoper geworden. Veel kledingproductie is verplaatst naar landen met lagere productiekosten, zoals China en Bangladesh. Ook zijn modebedrijven meer kleding van goedkopere materialen, zoals bijvoorbeeld polyester, gaan maken.

Met de opkomst van fast fashion bedrijven en discounters waar een T-shirt voor de bodemprijs van 5 euro of soms maar 3 euro in de rekken ligt, is prijsconcurrentie in de sector verder opgevoerd.

Sommigen zeggen dat in de sector geen product, maar een prijs wordt verkocht. Daarmee wordt gedoeld op de uitverkoopcultuur die heerst in de modesector. De enorme hoeveelheid kleding die op de markt wordt gebracht, draagt daar negatief aan bij. Er is een overaanbod aan kleding.

Bron: artikel "Is dit 'Fast Fashion'?" van mode-econoom Rens Tap, dat hij in 2015 schreef voor de brancheorganisatie Modint. In augustus 2022 heeft hij het artikel geüpdatet en aangeleverd aan ondergetekende.

Items worden vaak afgeprijsd om het aan de consument te slijten (en plaats te maken voor de volgende collecties en trends).

De consument is gewend geraakt aan de lage prijzen, een spiraal waar lastig uit is te komen.

Restvoorraad is een groeiend probleem….

Door de overproductie blijft een deel van de gemaakte kleding onverkocht. In Nederland werd in 2019 6 procent van alle kleren die op de markt zijn gebracht, niet verkocht. Het ging om 21 tot 49 miljoen stuks.

In 2019 werden in Nederland 349 tot 802 miljoen kledingstukken op de markt gebracht. Daarvan werd 94 procent verkocht (waarvan 32 procent met korting). 6 procent werd niet verkocht, ergens tussen de 21,3 en 49 miljoen stuks.

Bron: Rijksoverheid rapport 'Onderzoek naar de wijze waarop de textielketen omgaat met ongebruikt en nieuw textiel' door Rebel Group, van 17 november 2020. Bewerking van Rebel van cijfers voor de op de markt gebrachte kleding uit GFK 2019 'Measuring the Dutch Clothing Market Maldini et al 2019.

Nog een voorbeeld: de bekende winkelketen H&M had in 2018 onverkochte kleding ter waarde van 4 miljard dollar in het magazijn liggen.

Vaak wordt deze onverkochte voorraad vernietigd. Misschien herinner je je nog dat H&M en luxemerk Burberry in 2017 en 2018 in opspraak kwamen toen bleek dat zij opzettelijk, niet verkochte, maar nog bruikbare kleding vernietigden?

Een belangrijke reden voor modemerken om nieuwe kleding te vernietigen is om hun eigen markt niet te verstoren. Ze willen immers straks weer nieuwe kleding aan je verkopen. Een andere reden is dat kledingmerken hun imago willen beschermen. Restvoorraad gaat soms naar outlets. Een andere optie is doneren. “Maar hoe zou een Burberry-klant het vinden als ze haar merk - laten we zeggen - bij een andere doelgroep zou zien?”

Hier kan je er meer over lezen:

…net als de hoeveelheid afgedankt textiel

De hoeveelheid afgedankte kleding neemt tevens toe.

Overproductie werkt overconsumptie in de hand

”Overproductie voedt overconsumptie voedt overproductie,” schrijft Vandoorne in ‘Kleerkastvasten’. Het continu veranderende aanbod, collecties en trends - en dat voor die lage prijzen! - moedigt de kooplust van de consument aan. En die kooplustige consumenten sporen op hun beurt de industrie weer aan, en zo verder.

De essentie van mode is dat 'ie zichzelf steeds heruitvindt. En dat is voor ons aantrekkelijk, omdat ons brein gericht is op het nieuwe en het onbekende, citeert Vandoorne professor psychologie Carolyn Mair in 'Kleerkastvasten'. Dopamine, één van de gelukshormonen, wordt vrijgegeven wanneer we in contact komen met nieuwe ervaringen, of spullen. Deze stof geeft ons een gevoel van beloning. Vandoorne: “Maar in plaats van dat we ons goed en voldaan voelen, verlangen we naar meer. Marketeers maken gebruik van deze kennis, maar misbruiken deze soms ook. (..) Het verklaart de onverzadigbare aard van het consumentisme en onze drang om steeds nieuwe kleren te kopen.”

en draagt bij aan de cultuur van wegwerpmode, waarbij kledingstukken snel worden gekocht en weggegooid.

“We hebben te veel kleren, dus we doen ze ook gewoon massaal weg,” begint Vandoorne over de end of life problematiek. “We verkopen het via Vinted of stoppen het in de container.” Vooral met dat laatste denkt men iets goed te doen ‘want misschien helpen we mensen in Afrika daarmee’. “In de realiteit gaat je afgedankte kleding door veel handen die er geld aan verdienen en uiteindelijk komen ze terecht op markten met handelaars in tweedehands textiel.”

Op de tweedehands Kantamanto Market in Ghana bijvoorbeeld verdienen handelaren steeds lastiger hun brood omdat er een overschot is en de kwaliteit van sommige kleding te slecht is. Elke week komen er 15 miljoen kledingstukken op de markt en naar schatting blijft er 40 procent over. Een deel gaat naar de vuilnisbelt, een deel wordt verbrand (wat heel wat luchtvervuiling veroorzaakt) en een deel verdwijnt in de waterlopen en zee. Het resultaat is dat de Ghanese stranden vol liggen met kleren die zijn aangespoeld. In Senegal is hetzelfde aan de hand, vertelt Vandoorne.

Bovendien zijn niet alleen stranden vervuild. In de Chileense Atacama-woestijn bijvoorbeeld liggen bergen afgedankte kleding.

In Chili wordt er veel gehandeld in tweedehandskleding. Handelaren importeren ongewenste kleding - hoofdzakelijk uit Europa en de VS - om deze ter plaatse en in andere Latijns-Amerikaanse landen door te verkopen. Toch belandt meer dan de helft van de 60.000 ton kleding die elk jaar wordt ingevoerd, op illegale vuilstortplaatsen in de woestijn, met negatieve gevolgen voor het milieu en de plaatselijke gemeenschap. NB: in deze woestijn ligt trouwens voornamelijk nooit gedragen textiel.

De beelden van de woestijn kwamen in december 2021 in het nieuws. Augustus 2022 werd bekend de Chileense milieurechtbank de impact van afgedankte kleding in de Atacamawoestijn gaat onderzoeken. De advocaat die de zaak aanspande spreekt over “nalatigheid en schuldig verzuim” waarbij “het ecosysteem van een zeer waardevolle regio wordt aangetast”, zo meldde Knack destijds.

In de wereld worden verschillende plekken als stortplaats gebruikt, met alle ecologische gevolgen van dien.

De tekst gaat verder onder de foto

Een berg kleding in de Chileense woestijn (Alto Hospicio, in het noorden van Chili). De foto is gemaakt op 19 april 2022. Credit: TAKAYUKI FUCHIGAMI Yomiuri The Yomiuri Shimbun via AFP

Overproductie (en de verspilling die daarbij komt kijken) staat natuurlijk haaks op duurzaamheid.

Hoe zit het met recycling?

Storten of verbranden kan in sommige gevallen goedkoper en/of gemakkelijker zijn dan recyclen. Recyclen van kleding gebeurt dan momenteel op relatief kleine schaal. Gerecyclede vezels waren in 2021 goed voor 8,9 procent van alle grondstoffen voor textielproductie. Dat is een kleine stijging in vergelijking met 2020 toen het aandeel op 8,4 procent neerkwam.

De toename kwam vooral door gerecycled polyester, zo meldde de Textile Exchange in het rapport ‘Preferred Fiber and Materials Market Report 2022’. Maar let op, gerecycled polyester wordt meestal van oude plastic flesjes gemaakt. Van oude kleding wordt maar zelden nieuwe kleding gemaakt: dat gebeurde volgens Textile Exchange in het jaar 2021 in minder dan 1 procent (!) van de gevallen.

Positief nieuws is dat er inspanningen gaande zijn om het recyclingproces van kleding te verbeteren en de schaal ervan te vergroten. Zo zet de duurzaamheidsorganisatie Fashion for Good regelmatig recyclingprojecten op. En ken je het Belgische bedrijf Resortecs? Het bedrijf ontwikkelt technologieën voor het efficiënt recyclen van textiel op een industriële schaal. Een andere mooie ontwikkeling is dat in augustus 2022 de eerste commerciële textiel-naar-textiel recyclingfabriek geopend is van Renewcell, een Zweeds recyclingbedrijf gespecialiseerd in het recyclen van textielafval tot basismateriaal voor nieuwe vezels.

2. Impact op het milieu: hoe schaadt de productie van kleding het milieu?

De traditionele modeindustrie is lineair georganiseerd. Dat is een systeem gebaseerd op het "take-make-waste" model waarbij het als volgt gaat:
Modebedrijven nemen nieuwe grondstoffen (zoals katoen), maken er een kledingstuk mee (zoals een T-shirt) en verkopen het aan de consument, die het draagt en weer weggooit.

Bron: ‘Duurzaamheid verduidelijkt: Waarom iedereen het over de circulaire economie heeft als oplossing’ van Jasmien Wynants voor FashionUnited.

Een van de problemen van dit model is dat het resulteert in enorme hoeveelheden textielafval en vervuiling (zoals uitgelegd in paragraaf 1).

Een ander probleem is dat de modeindustrie een grootverbruiker is van grondstoffen. Grondstoffen worden schaarser, de industrie put middelen en hulpbronnen uit en belast het milieu met de productie ervan.

Tegenwoordig wordt ‘twee derde van onze kleren gemaakt van fossiele brandstoffen’, vertelt Vandoorne. “En meer dan de helft van onze kleding is van polyester.”

De synthetische vezel polyester, het meest gebruikte materiaal in de modeindustrie, wordt gemaakt uit aardolie. Het productieproces van polyester is energie-intensief en genereert een behoorlijke uitstoot van broeikasgassen, wat bijdraagt aan klimaatverandering. Daarnaast worden tijdens de productie van polyester vaak schadelijke chemicaliën zoals oplosmiddelen gebruikt, wat leidt tot onder meer watervervuiling. Voorts is er nog een groot nadeel: de plasticvervuiling.

Tijdens het productieproces en later ook in de gebruiksfase laten polyester kledingstukken minuscule delen plastic los, de zogenoemde microplastics. Van één synthetisch kledingstuk zoals polyester of bijvoorbeeld acryl kunnen wel 1.900(!) microvezels afkomen per wasbeurt. Wereldwijd is maar liefst 35 procent van alle microplastics die in het milieu terechtkomen te herleiden tot textielproducten. En het blijft niet bij plastic soup. Er zijn microplastics gevonden in ons drinkwater en voedsel en het menselijk lichaam.

Natuurlijke grondstoffen hebben trouwens eveneens een ecologische voetafdruk. Neem de kweek van katoen, een populaire natuurlijke grondstof. Het vereist grote hoeveelheden water voor irrigatie, wat leidt tot (enorme hoeveelheden) waterverspilling en uitputting van natuurlijke waterbronnen, vooral in droge regio's. Bovendien worden vaak pesticiden en meststoffen gebruikt, die de biodiversiteit schaden en het water- en bodemecosysteem vervuilen.

En met de grondstoffen begint het pas. Van de grondstoffen worden garens gemaakt, van garens stoffen, en van stoffen het kledingstuk. En ergens gedurende het productieproces worden de vezels, het garen, de stof of het kledingstuk geverfd. Naar schatting komt er in 95 procent van de gevallen verf aan te pas.

Kledingstukken zijn bijna altijd gekleurd. Kleur geven kan door verven en printen. “In 95% procent van de gevallen komt er verf aan te pas,” schatte modeprofessional Monique Wertheym in.

We interviewden haar voor het achtergrondartikel ‘Van vezel tot kledingstuk’ waar we de ‘technische opbouw’ van je kledingstuk beschrijven.

Verven is heel vervuilend: waterverbruik en pesticiden zijn grote issues

Het onderdeel verven is heel vervuilend. Om de kleurstoffen hun werk te laten doen, is heel veel water nodig. De chemicaliën die worden gebruikt bij het verven zijn vaak giftig en kunnen de gezondheid van werknemers aantasten. Bovendien worden de chemicaliën vaak als afvalproduct in de leefomgeving gedumpt, rechtstreeks in de waterstromen. In de landen waar onze kleding wordt geverfd en/of afgewerkt zijn hele wateren blauw of rood gekleurd door verfstoffen.

Kijk bijvoorbeeld naar de documentaire: River Blue

De documentaire volgt internationaal natuurbeschermer Mark Angelo die de gevolgen van de kledingindustrie op rivieren laat zien. Credit: River Blue (januari 2018)

Vandoorne zag met eigen ogen wat er gebeurt als ‘textielververijen chemische stoffen en zware metalen lozen in waterlopen’. “We zagen het schuim op de Citarum rivier in Indonesië staan,” vertelt ze. “Ik heb foto’s waarop het water paars is. En mijn collega die boven de kokend hete afvoerdamp hing voor het maken van de foto’s, liep een luchtweginfectie op.”
Daarnaast is er nog het sociale aspect van de milieuproblematiek, vertelt ze: “Het zorgt ervoor dat veel mensen in Indonesië niet aan schoon water kunnen komen. Zij moeten daar veel voor betalen, maar dat geld is er in sommige gemeenschappen helemaal niet.”

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld ter illustratie van katoenteelt. Foto: Mr-Location-Scout voor Pexels.com

Tegelijkertijd worden in de modebranche nieuwe, innovatieve grondstoffen ontwikkeld en in gebruik genomen. Ook zijn er diverse bedrijven en ontwerpers die kijken naar nieuwere, duurzamere verftechnieken.

Het bedrijf MycoTex bijvoorbeeld ontwikkelt textiel van mycelium, de wortel van paddenstoelen. Deze grondstof groeit in het lab en is biologisch afbreekbaar.

Bij andere duurzamere textielinnovaties kun je denken aan textiel van garnalen, ‘zalmleer’ of ‘cactusleer’.

Het project 'Living Colour' van Ilfa Siebenhaar en Laura Luchtman is een mooi voorbeeld van ‘verantwoord verven’ door middel van bacteriën. En Fabulous Fungi gebruikt kleurpigmenten uit schimmels.

Lees meer in de artikelserie:

3. De impact op de mens

Onze kleding wordt in massa geproduceerd aan de andere kant van de wereld, in zogenoemde lagelonenlanden als Bangladesh. Zoals de term al duidelijk maakt, verdienen mensen in deze landen weinig.

Vaak krijgen textielarbeiders (of garment workers) geen leefbaar loon. Dat betekent dat ze te weinig verdienen om in hun basisbehoeften te voorzien. In Bangladesh bijvoorbeeld, een van de grootste textielproducerende landen ter wereld, is het minimum maandloon voor een kledingarbeider sinds 2018 72 euro per maand. “Een lichtpuntje is dat de lonen sinds Rana Plaza (daarover zo meer, red.) wel zijn gestegen, maar helaas nog altijd niet tot op een leefbaar niveau,” schrijft Vandoorne in ‘Kleerkastvasten’. Een leefbaar loon in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, zou 393 euro zijn, zo berekende Asia Floor Wage.

De slechte arbeidsvergoeding is dan ook waarom de meeste textielarbeiders eindeloos lange werkdagen maken (meestal vrijwillig, soms gedwongen) en zelden vrij nemen.

Maar, kledingarbeid is geen lang leven beschoren, beschrijft Vandoorne. “Het fysieke werk is zo intensief dat het niet gebruikelijk is om na je vijftigste, veertigste of zelfs al na je dertigste kleding te blijven stikken.” In het academisch portfolio en het boek The Sweatshop Regime van econoom Alessandra Mezzadri worden textielarbeiders omschreven als labouring bodies, vertelt Vandoorne. Deze term is grof vindt ze, ‘maar het maakt duidelijk hoe hun lichamen worden ingezet als onderdeel van de toeleveringsketen om fysiek werk te verrichten, haast anoniem, zonder dat ze daarvoor erkend worden.’ Mensen voeren de hele dag, in dezelfde houding, dezelfde handeling uit zoals het inzetten van ritsen, het maken van knoopsgaten of het stikken van bijvoorbeeld achterpanden.

Dat wordt gezien als de meest efficiënte manier van werken en heeft vaak ook een praktische reden: er is meestal een machine voor één type nabewerking of handeling.

In dit artikel kun je er meer over lezen: ’De toeleveringsketen in de modebranche en betrokken spelers’

Volgens Mezzadri leidt dat tot zowel fysieke als mentale stress en klachten variërend van rugpijn tot slechtziendheid, aldus Vandoorne.

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld: kledingfabriek, Ciawi, Bogor, West Java, Indonesië, gepubliceerd op 27 oktober 2020, Unsplash License. Foto van Rio Lecatompessy op Unsplash.

De werkomgeving in de kledingindustrie laat vaak te wensen over op het gebied van gezondheid en veiligheid

Het werken in kledingfabrieken is niet altijd veilig. In sommige kledingfabrieken is de brandveiligheid onvoldoende, de elektrische bedrading onveilig en de gezondheids- en veiligheidstraining voor werknemers minimaal. En dat verhoogt het risico op ongevallen.

De Rana Plaza-ramp is een tragisch voorbeeld van de veiligheidsproblemen in kledingfabrieken. Op 24 april 2013 stortte een kledingfabriek genaamd Rana Plaza in Bangladesh in, waarbij meer dan 1.100 mensen omkwamen en duizenden anderen gewond raakten. Voor de volledigheid: De instorting van Rana Plaza is terug te voeren op een combinatie van factoren, waaronder corruptie, bouwovertredingen en het negeren van veiligheidsnormen.
Corruptie en nalatigheid speelden een rol bij deze tragedie.

De Bangladesh Anti-Corruption Commission (ACC) heeft 17 mensen aangeklaagd wegens het overtreden van de regels bij de bouw van Rana Plaza. ACC-woordvoerder Pranab Kumar Bhattachajee zei destijds tegen Reuters: "Uit ons onderzoek bleek dat ze op grove wijze de bouwvoorschriften schonden."

Oorspronkelijk was het Rana Plaza gebouw voor winkels en kantoren. Er werden extra verdiepingen toegevoegd om ruimte te bieden aan kledingfabrieken.“Gemeentelijke autoriteiten gaven toestemming voor extra verdiepingen in het gebouw, maar ze hadden die bevoegdheid niet,” aldus de ACC woordvoerder tegenover Reuters.

De moerassige grond was niet geschikt voor een dergelijk groot gebouw. Het gebruik van zware machines in de fabrieken verhoogde de belasting op de constructie van het gebouw. Ook waren bij de bouw ‘ondermaatse’ materialen gebruikt.

De dag voor de instorting werden er scheuren ontdekt en werd het gebouw ontruimd, maar de arbeiders werden de volgende dag gedwongen - “hetzij rechtstreeks door hun superieuren, hetzij indirect door de druk om een dagloon te verdienen,” aldus CNN - terug te keren naar hun werkplek.

Lees ook:

Maar door deze ramp kwam wereldwijd aandacht voor de onveilige werkomstandigheden waaraan veel kledingarbeiders worden blootgesteld.

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld: Rana Plaza ramp in 2013. Beeld: Rijans via Flickr Creative Commons

“Op 24 april, tijdens de herdenking van de ramp, vragen journalisten naar onze ervaringen. Maar wat leveren onze antwoorden op? Zoveel jaar later is er niks veranderd,” zo vertelde voormalig kledingarbeider Nulifar aan Vandoorne in Bangladesh. Zij overleefde de ramp maar kampt met gezondheidsproblemen waardoor ze niet meer kan werken, en trauma.

Er zijn arbeiders die nog altijd in onveilige omstandigheden werken. Ook gebeuren nog regelmatig ongelukken, ‘zoals boilers die ontploffen’, vertelt Vandoorne.

Bij onveilige omstandigheden moet je ook denken aan machtsmisbruik en (seksuele) intimidatie, pesterijen en/of chantage. Tevens komen dwangarbeid en kinderarbeid nog voor in de modeindustrie.

Sinds Rana Plaza zijn zaken wel verbeterd. Dat komt onder meer door het Bangladesh akkoord voor Brand- en Gebouwveiligheid. Het is een bindende overeenkomst tussen kledingmerken, vakbonden en NGO’s om de veiligheid en arbeidsomstandigheden te verbeteren. Het omvat een reeks maatregelen en verplichtingen, waaronder regelmatige inspecties van fabrieken door onafhankelijke experts.

Ook zijn er fabrieken die hun arbeiders ‘zoals familie’ behandelen, vertelt Simone Preuss, duurzaamheids journalist van FashionUnited. “GSSL in Bangladesh bijvoorbeeld.”

Lees hier meer: ‘Tien jaar na de Rana Plaza-ramp: Waar staat de industrie nu? (Je kunt in dit artikel alles lezen over het Bangladesh akkoord, plus het Pakistan akkoord en Internationaal akkoord)

De tekst gaat verder onder de foto

GSSL in Bangladesh. Photo: Sumit Suryawanshi for FashionUnited.

Waarom zijn de werkomstandigheden soms zo slecht in armere landen waar onze kleding wordt geproduceerd?

Grote kledingbedrijven hebben veel macht. Ze kunnen kiezen waar ze hun kleren laten maken en vanwege de prijsconcurrentie in de sector (zie kader in paragraaf 1), zoeken ze vaak naar plaatsen waar mensen weinig verdienen. In deze armere landen ontbreekt het soms aan strenge wetgeving gericht op de bescherming van arbeidsrechten en werkomstandigheden in de kledingindustrie.

Soms is er wel wetgeving, maar beperkte handhaving. Overheden hebben onvoldoende middelen, capaciteit of de wil om de naleving van arbeidsrechten te waarborgen, waardoor fabrieken vrij spel hebben om onethische praktijken voort te zetten. Als het gaat om wil, is het terug te voeren op de economie. Vaak is de kledingindustrie een belangrijke bron van inkomsten voor deze landen. Bangladesh bijvoorbeeld is sterk afhankelijk van de textielindustrie en een aanzienlijk deel van de kleding die in het land wordt geproduceerd, is bestemd voor export, met name naar Europa. Overheden, zoals de Bengaalse, hebben dus belang bij een welvarende industrie.
Zoals je nu weet, kan corruptie ook een rol spelen. Het gebrek aan transparantie in de toeleveringsketen kan tevens meespelen bij het niet effectief handhaven van wetgeving (zie kader hieronder).

Voorts; door armoede in de productielanden, hebben mensen vaak weinig andere keuzes dan werk onder slechte omstandigheden te accepteren om te voorzien in hun levensonderhoud. Ten slotte, is er vaak weinig of geen toegang tot vakbonden en/of collectieve onderhandelingen, waardoor textielarbeiders niet in staat zijn om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren of betere lonen te eisen. Kortom, kledingarbeiders hebben een kwetsbare positie.

De productieketen de modebranche is vaak complex en niet-transparant. Dat zit zo:

Een modebedrijf geeft een productieorder af aan een leverancier. Deze leverancier, vaak fabrikant, kan vervolgens ervoor kiezen om bepaalde delen van het productieproces uit te besteden aan andere bedrijven, die worden aangeduid als onderleveranciers of toeleveranciers. De redenen voor het uitbesteden aan onderleveranciers zijn divers. Het stelt fabrikanten en leveranciers in staat zich te specialiseren in bepaalde aspecten van de productie, gebruik te maken van gespecialiseerde vaardigheden of de efficiëntie te vergroten door de productie te verdelen. Maar, het is hierdoor moeilijk volledig zicht te houden op de hele productieketen en te waarborgen dat alle betrokken partijen voldoen aan ethische en duurzaamheidsnormen.

Dit was ook iets wat naar voren kwam bij Rana Plaza. "Modemerken beweerden dat hun kleren er niet werden gemaakt,” vertelt Vandoorne. “Maar in het puin werden kledinglabels van de merken gevonden. In de ingestorte fabriek werd wel degelijk kleding van hen gemaakt. Dat kan betekenen dat deze modemerken hun toeleveringsketen zo weinig onder controle hebben dat ze niet eens weten waar hun kleren werkelijk vandaan komen," legt Vandoorne uit. “En dat is eigenlijk nog problematischer dan dat ze erover zouden liegen.”

(De afgelopen 10 jaar is transparantie belangrijker geworden in de sector. Meer modebedrijven en organisaties zijn zich gaan inzetten voor het bevorderen van transparantie.)
Retraced bijvoorbeeld faciliteert een blockchain technologie waardoor mode- en textiel bedrijven hun producten en vezels kunnen traceren en deze informatie kunnen delen met relevante belanghebbenden. Het Duitse bedrijf werd in 2018 opgericht, een jaar later won het een award, en in pandemiejaar 2020 wist het 40 modebedrijven voor zich te winnen en haalde het een grote investering op.

Journalist Simone Preuss: "Een paar jaar geleden was blockchain technologie voor transparantie 'nice to have'. Nu is het meer een meer een 'must have' omdat het geld bespaart en het werken in tijden van crisis gemakkelijker maakt (Covid heeft dat aangetoond)," aldus Preuss.

Maar let op, Vandoorne benadrukt dat de meeste arbeiders die ze heeft gesproken, hun baan zwaar vinden, maar bovenal blij zijn dat ze werk hebben en een salaris krijgen . Iets wat Preuss bekrachtigt. “Vooral vrouwen,” zegt zij. “Zo dragen ze bij aan het gezinsinkomen en kunnen ze hun huwelijk een paar jaar uitstellen.”

Vandoorne stipt in de call ook aan hoe de milieu en sociale problematieken elkaar soms ‘tegenspreken of zelfs tegenwerken’. Ze vertelt hoe een fabriek in Indonesië werd gesloten vanwege de milieuproblematiek en de arbeiders ervan zijn ontslagen. “Maar dat was net een plek waar, relatief gezien, vrij veel vakbonden aan de slag waren en de lonen dus iets hoger lagen.” Een van de voormalig kledingarbeiders die inmiddels een nieuwe, maar slechter betaalde baan had gevonden, zei in gesprek met Vandoorne: “Hoe moet ik nu mijn gezin te eten geven?”

Van Doorne let er daarom op dat ze garment workers niet te veel als slachtoffer afschildert. In haar boek schrijft ze: “Kledingarbeiders en hun kinderen zijn geen slachtoffers. Ze draaien mee in een ongelijk systeem dat die arbeid al eeuwenlang niet naar waarde schat.”

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld: textielarbeiders. Credit: Schone Kleren Campagne, een organisatie die strijdt voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden en de positie van de arbeiders in de wereldwijde kledingindustrie.

4. We eindigen met een positieve noot

Meer aandacht voor duurzaamheid en dit is de wetgeving die eraan komt

In de industrie waar het draait om winstmaximalisatie is er gelukkig - en broodnodig - steeds meer aandacht voor mens en milieu.

“Het is fijn om te zien dat duurzaamheid tegenwoordig op de agenda van de modeindustrie staat,” zei de Nederlandse duurzaamheidsexpert Willa Stoutenbeek daarover tegen Het Parool. “Sinds een jaar of twee kun je er als merk echt niet meer omheen.” Veel bedrijven zijn aan het ‘vergroenen’.

Ook in de politiek staat duurzaamheid op de agenda én er is wetgeving in de maak:

1 juli 2023 gaat de Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid Textiel (UPV) van start in Nederland. Het doet denken aan het ‘vervuiler betaalt’-principe. De UPV maakt textielproducenten verantwoordelijk voor de inzameling, sortering, recycling, het hergebruik en de afvalfase van producten die zij ontwikkelen. Vandoorne: “Het doel is dat de producten na gebruik niet verloren gaan om de milieu-impact terug te dringen.”

Ook komt er op Europees niveau een due diligence wet, wat zich het best laat uitleggen als ‘zorgplichtwetgeving’. Deze wet verplicht bedrijven om hun productieketen te onderzoeken en misstanden te verbeteren. Denk daarbij aan zowel milieu- als mensenrechtenschendingen. Vandoorne: “Op die manier zullen bedrijven dus ook verantwoordelijk worden voor de werknemers van hun leveranciers.”

Voorts zijn er ook inspirerende (duurzamere) modebedrijven die het radicaal anders aanpakken.

Een mooi voorbeeld is het jonge Amsterdamse bedrijf New Optimist. Het kledingmerk werkt sociaal, lokaal en circulair en gaat volgens de oprichters over ‘kleding maken’. Het bedrijf is transparant. In het Amsterdamse productie-atelier (de NO Kledingfabriek) is te zien hoe de kleding wordt gemaakt.

New Optimist is steward-owned. Dit bedrijfsmodel sluit winstmaximalisatie uit en stelt de (sociale) missie van een bedrijf centraal.

En nog een unicum: het kledingmerk introduceert in september een statiegeldsysteem om klanten aan te moedigen hun kledingstukken na gebruik weer in te leveren. New Optimist werkt aan een recycleprogramma, zodat van gedragen kledingstukken - liefst lokaal - weer nieuwe garens of stoffen kunnen worden gemaakt. Een bedrijf om in de gaten te houden.

Lees ook het artikel: 'Doorbreek het patroon: De kledingmerken die trends en seizoenen overboord gooien'

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld ter illustratie van de schaduwkant van de modeindustrie. Resale bedrijf Vestiaire Collective deelde dit beeld toen het in november 2022 aankondigde fast fashion merken te weren op het platform. Credit: Vestiaire Collective.

Vandoorne sluit onze call af met het volgende: “Het is belangrijk dat we het verhaal (van hoe niet duurzaam de modebranche opereert) kennen, maar we moeten er ook niet moedeloos van worden. Wat we kunnen doen als consument is roepen, vragen stellen en verandering aanmoedigen.” Ze is van mening dat ‘alle beetjes helpen’, doelend op het maken van duurzamere keuzes. Want, als burgers hebben we samen een impact.

Bewuste consumenten worstelen met mode en duurzaamheid. Daarover zegt ze: “Wij consumenten kunnen het niet perfect doen en moeten bovenal niet alles dragen. Uiteindelijk is het de industrie die, onder leiding van de overheid, moet veranderen.”

Editors note / Verantwoording: Er is nog veel meer te zeggen over mode en duurzaamheid. Om het achtergrondstuk enigszins behapbaar te houden, behandelen we een aantal grote thema’s.

Goed om te weten is dat de modeindustrie kampt met gebrekkige informatie als het gaat om duurzaamheid. Daar schreven Vox.com en De Correspondent interessante artikelen over en ondervond ik aan den lijve bij het verzamelen van statistieken over de modebranche en het schrijven van achtergrondartikelen zoals deze.

Vox.com artikel 'Fashion has a misinformation problem. That’s bad for the environment' van Alden Wicker, 31 januari 2020.

De Correspondent artikel 'Over de modeindustrie worden al jaren verkeerde cijfers verspreid. Stop daarmee' van Emy Demkes, 18 januari 2021 (leestips!)

Een wijdverspreide claim met betrekking tot duurzaamheid is bijvoorbeeld dat de modeindustrie op olie na de meest vervuilende industrie ter wereld is. Deze bewering gaat nog steeds rond (zelfs in de kledingsector zelf!), maar is inmiddels weerlegd, zo vertelt Vandoorne.

De Amerikaanse journalist Alden Wicker is degene die in 2017 bekend maakte dat er geen basis, onderzoek of data voor de bewering was, zo publiceerde ze in het artikel ‘We have no idea how bad fashion actually is for the environment’ op Racked.com. Datzelfde jaar schrijft Wicker voor EcoCult dat de textielindustrie mogelijk de vijfde meest vervuilende industrie zou zijn, al trekt ze dat zelf in twijfel, zo zet Vandoorne in ‘Kleerkastvasten’ uiteen.

In 2018 is het is The New York Times die zorgt dat het veel bekender wordt dat de claim tweede meest vervuilende industrie niet klopt. De Amerikaanse krant noemde het 'The Biggest Fake News in Fashion'.

Hoe vervuilend de sector nu precies is, is nog niet exact duidelijk. Wicker publiceerde in januari 2022 het artikel ‘Fashion Is Not the 2nd Most Polluting Industry After Oil. But What Is It?’ (leestip!)

Bij veel zaken omtrent duurzaamheid geven de uitkomsten van verschillende onderzoeken of bronnen net andere cijfers of percentages. Ook zijn er vaak ruime marges. Kijk maar eens naar de bandbreedte van het aantal nieuwe kledingstukken dat jaarlijks wordt geproduceerd (100 of 150 miljard is een wezenlijk verschil) en die van het aantal onverkochte stuks op de Nederlandse modemarkt (ergens tussen de 21 en 49 miljoen stuks). Daarom hebben we cijfers in dit artikel zoveel buiten beschouwing gelaten.

Een campagne van Fashion Revolution, de wereldwijde organisatie die pleit voor meer transparantie en eerlijke werkomstandigheden in de modeindustrie. Credit: Fashion Revolution newsroom

Bronnen:
- Interview met de Belgische journalist en duurzamere mode-expert Sarah Vandoorne op 15 mei 2023
- Het boek ‘Kleerkastvasten ‘De textielketen ontrafeld’ van Sarah Vandoorne, 19 april 2023
- Input van Simone Preuss, duurzaamheids journalist FashionUnited, 5 juni 2023
- De artikelreeks ‘Duurzaamheid verduidelijkt’ van de Belgische duurzaamheidsexpert Jasmien Wynants voor FashionUnited, van 2022-23
- Het Parool artikel 'Gehersenspoeld door modemerken: ‘Duurzame kleding zou de norm moeten zijn in plaats van een rekje in de winkel’ van Esther Muller, 9 juni 2022
- De Correspondent artikel 'Fast fashion is ieders favoriete zondebok, maar dat is niet altijd terecht', door Emy Demkes, 26 november 2021
- Trouw artikel 'Tien jaar na Rana Plaza: is er iets verbeterd in de kledingindustrie?' van Roy op het Veld, 9 april 2023
- Modint artikel "Is dit 'Fast Fashion'?" van mode-econoom Rens Tap dat hij in 2015 schreef voor de brancheorganisatie en in augustus 2022 actualiseerde.
- Rijksoverheid rapport 'Ongebruikt textiel', onderzoek in opdracht van Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgevoerd door Rebel Group, van Michiel Kort, Reinier van der Vusse en Maxine van Grootel, 4 september 2020
- The New York Times artikel ' H&M, a Fashion Giant, Has a Problem: $4.3 Billion in Unsold Clothes' van Elizabeth Paton, 27 maart 2018
- Europees Parlement Briefing 'Milieu-impact van de textiel- en kledingsector: wat consumenten moeten weten', 19 januari 2019
- Plastic Soup Foundation Position Paper 'Microfiber release from clothes after washing: Hard facts, figures and promising solutions', mei 2017
- Textile Exchange rapport ‘Preferred Fiber and Materials Market’, oktober 2022
- Reuters artikel 'Bangladesh accuses 17 over garment factory collapse', van Reuters medewerkers, 15 juni 2014
- CNN artikel '10 years after Rana Plaza, is Bangladesh’s garment industry any safer?' van Oscar Holland, 23 april 2023
- Artikelen uit het FashionUnited archief van journalisten Esmerij van Loon, Anne Buis, Vivian Hendriksz, Regina Henkel, Don-Alvin Adegeest, Simone Preuss, Sylvana Lijbaart, Caitlyn Terra, Nora Veerman en May-Anne Oltmans (de originele publicaties zijn veelal gelinkt in de artikeltekst)
- Delen van deze artikeltekst zijn gegenereerd met een kunstmatige intelligentie (AI) tool en daarna geredigeerd.

Lees- en kijktips:
.

Poster at Made in Bangladesh Week. Foto: Sumit Suryawanshi voor FashionUnited
Meer achtergrondstukken:
achtergrond
atacama
consumptie
Duurzaamheid
Fashion Education
Fast fashion
garment workers
Ghana
leefbaar loon
Productie
Rana Plaza
Recycling
restvoorraad
textielafval
textielarbeiders
Toeleveringsketen
Tweedehands
wegwerpmode